CDA'ers denken aan oppositie bij fors verlies

DEN HAAG, 5 APRIL. In het CDA gaan steeds meer stemmen op om na de Tweede-Kamerverkiezingen voor een oppositierol te kiezen. Zo liet het Tweede Kamerlid (CDA) R. van der Linden gisteravond voor de EO-televisie weten dat als zijn partij minder dan veertig zetels bij die verkiezingen behaalt, het CDA voor de oppositie zou moeten kiezen. Opiniepeilingen wijzen al enkele maanden op een zetelaantal voor het CDA dat ver onder de veertig ligt.

Eerder waren het de protestanten E. Heerma (staatssecretaris van volkshuisvesting, oud-ARP), H. Gualthérie van Weezel (oud-Tweede Kamerlid, oud-CHU), en B. de Gaay Fortman (oud-minister van Binnenlandse Zaken, oud-ARP) die de mogelijkheid van zo'n oppositierol opperden. Dat deden zij los van eventuele zetelaantallen.

Van der Linden is de eerste katholiek binnen het CDA die openlijk speculeert over een oppositierol voor zijn partij. Ook J. van Gennip, directeur van het wetenschappelijk bureau van het CDA en een belangrijke kandidaten voor het partijvoorzitterschap, liet zich onlangs intern positief uit over zo'n oppositierol. Openlijk laat hij echter weten zo'n discussie “veel te prematuur” te achten. De katholieke vice-fractievoorzitter van de CDA-fractie in de Tweede Kamer, F. Wolters, zegt over een oppositierol van zijn partij: “Hoe kleiner we worden hoe groter de kans daarop is.”

Staatssecretaris Heerma zei vorige week, ondermeer in een reactie op de opiniepeilingen: “Als het CDA onverhoopt in de oppositie komt, vind ik dat geen ramp. We hoeven niet op hol te slaan.” De Gaay Fortman zei dat het “gezond” zou zijn voor het land als de christendemocraten een tijdje in de oppositie zouden belanden.

Het zijn vooral de oud-CHU'ers binnen het CDA die enige ervaring hebben in de oppositie. Zo deed de partij niet mee aan het kabinet-Den Uyl (1973-1977). KVP en ARP hebben na de oorlog onafgebroken meegeregeerd.