Bederf in de staat

“Er schuilt bederf in Denemarkens staat.” Wanneer we dit shakespeariaanse woord in de mond namen, dachten we niet aan dit Scandinavische land, toonbeeld van reinheid en rust, maar eerder aan landen als Italië of Frankrijk, ja eigenlijk aan alles bezuiden de grote rivieren. Op Holland zelf was dit woord natuurlijk helemaal niet van toepassing!

Maar nu? Moeten we ook hier niet langzamerhand onze gevoelens van noordelijke of protestantse zelfgenoegzaamheid herzien? In elk geval is het politieschandaal waarover de Tweede Kamer donderdag gaat debatteren, van een hoedanigheid die we nog enkele jaren geleden in Nederland niet mogelijk hadden geacht.

In de eerste plaats het schandaal zelf. Politiekorpsen die de onderlinge samenwerking ter bestrijding van de zware misdaad opzeggen. Een hoofdcommissaris van politie die zijn collega van corruptie (of gedoging daarvan) beschuldigt. Een andere hoofdcommissaris die een procureur-generaal dreigt hem in het openbaar “integraal te zullen doortrekken”. Onvoorstelbaar, maar toch waar. En dan de politieke verantwoordelijkheid. Een minister-president die het onderscheid tussen “fout” en “fouten” dat voor de bezettingsjaren gold, toepasbaar acht op deze zaak; dus zijn oud-collega's Brockx, Braks, Van der Linden en Van Eekelen, die wegens fouten zijn moeten heengaan, gelijkstelt met mensen die in de oorlog fout waren. Het minste wat van hem verwacht mag worden, is een woord van excuus jegens hen.

Maar de andere politici van de twee regeringspartijen waren in hun eerste reactie niet veel beter. Hen bond het gemeenschappelijk vooruitzicht van een zware nederlaag bij de aanstaande verkiezingen. Dat vooruitzicht zou er niet veel beter op worden als de verantwoordelijke ministers - van iedere partij één - zouden moeten aftreden.

Een begrijpelijke reactie, maar niet een die getuigde van zuiver staatsrechtelijk inzicht. Bovendien: als ze even hadden nagedacht, zouden ze hebben ingezien dat deze reactie ook in politiek opzicht verkeerd was: de kiezers konden er moeilijk iets anders in zien dan een zucht om, koste wat het wil, op het fluweel te blijven zitten en elkaar de hand boven het hoofd te houden.

Er zijn nu second thoughts opgekomen. Bij de PvdA is de neiging ontstaan de minister van justitie, de CDA'er Hirsch Ballin, niet te ontzien - wat onvermijdelijk tot een breuk in de coalitie zou leiden, want Hirsch Ballin is, gezien zijn plaats op de verkiezingslijst, een van de paradepaardjes van zijn partij.

Ten aanzien van hun eigen man, minister van binnenlandse zaken Van Thijn, zijn die PvdA'ers minder streng. Het argument luidt dat hij, pas minister geworden, niet verantwoordelijk kan worden gesteld. Maar als burgemeester van Amsterdam, zijn vorige functie, droeg hij toch zeker wèl verantwoordelijkheid? En is minister Van Eekelen in 1988 niet moeten heengaan om iets wat hij in een vorige functie zou hebben nagelaten?

Bovendien: kan van hem een onpartijdig oordeel verwacht worden over iemand die in zijn Amsterdamse tijd zijn hoofdcommissaris van politie was? En zo ja, zou dat oordeel, als dat ongunstig zou uitvallen niet ook hemzelf treffen? Normaal is dat zo iemand zich in zo'n geval op z'n minst verschoont. Maar Van Thijn is een paradepaardje van zijn partij. Ja, de politieke leider van de PvdA, vice-minister-president Kok, heeft zelfs, blijk gevend van staatsrechtelijke onwetendheid, verklaard dat Van Thijns benoeming tot minister mede nodig was om de partij uit het diepe dal te helpen. Je moet als partijgenoot van een zeldzame integriteit zijn om zo'n onmisbaar geachte man verantwoordelijk te stellen.

Het is niets nieuws wat hier gezegd wordt. Anderen hebben het al eerder gezegd. En je hoeft geen aanhanger van Janmaat te zijn om tot de conclusie te komen: de hele zaak stinkt. Maar er is nog een aspect aan deze zaak, en dat aspect is niet technisch, politiek of staatsrechtelijk, maar eerder sociologisch. Het is de arrogantie van Amsterdam die zich ook hier manifesteert.

Het Interregionale Recherche Team Noord-Holland/Utrecht (IRT) is, eenmaal in Amsterdamse handen gekomen (de driehoek burgemeester Van Thijn, hoofdofficier van justitie Vrakking en hoofdcommissaris Nordholt), stelselmatig uitgekleed en ontdaan van niet-Amsterdamse, vooral Utrechtse, invloed.

Ook los van de vraag, of de beschuldiging van corruptie die de Utrechtse hoofdcommissaris Wiarda aan het adres van het Amsterdamse politiekorps lanceerde al dan niet gegrond was, was dit voldoende om de sfeer van samenwerking grondig te verpesten. De Amsterdamse aanspraak primus te zijn en de anderen als provinciaaltjes te beschouwen heeft ook hier averechts gewerkt.

Als burgemeester was ook Van Thijn niet vrij van die arrogantie. Herinnerd hoeft slechts te worden aan zijn weigering in 1986 om slechts korte tijd vrij te maken voor medewerking, via een video-opname, aan een historische tentoonstelling die gewijd was aan de verhouding Amsterdam-Rotterdam, een Rotterdams initiatief.

Met deze - door niets gerechtvaardigde - hooghartigheid, die zich op vrijwel elk gebied uit, maakt Amsterdam zich niet geliefd in den lande. Het is dan ook een fout van de PvdA geweest een typisch Amsterdamse figuur als Felix Rottenberg tot voorzitter te maken. Zijn kwaliteiten mogen nog zo groot zijn, alleen in Amsterdam worden ze gewaardeerd, zoals de uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen van 2 maart toonde.

Die kloof tussen Amsterdam en de rest van het land (het Gooi mogen we, wat dit betreft, tot Amsterdam rekenen) is, hoewel ze zich niet leent voor discussie in de Kamer, niet het minst interessante of zelfs minst zorgwekkende aspect van de zaak.

    • J.L. Heldring