Afscheid van Nederland (7)

Beste Sandor

Het noodlot, dat bepaalde dat wij in het inmiddels grijze jaar 1956 met een verschil van slechts enkele maanden naar dit land kwamen en vrijwel meteen vrienden werden, vond het kennelijk amusant om ons er over Nederland in het algemeen, en Amsterdam in het bijzonder, totaal tegenovergestelde opvattingen op na te laten houden.

Jouw bijziendheid, zoals ik het ben gaan noemen, liet je alleen maar zien wat door het dikke filter van jouw 'Hongaar zijn' heen wist te dringen. En zo hadden we vaak ruzie om onbenulligheden. Zei ik bijvoorbeeld dat ik de Blauwbrug mooi vond, dan noemde jij die een miserabele, typisch Hollandse pastiche van de Pont Alexandre in Parijs. Voor jou verdiende - en verdient, neem ik aan - alleen de Széchenyi-brug het als een kunstwerk te worden beschouwd. Als ik de Amstel bezong, wierp jij ogenblikkelijk sarcastisch tegen dat je dat toch moeilijk een rivier kon noemen. Wist ik wel hoe breed en statig de Donau was? En met wat voor reden werd ik lyrisch over de schoonheid van Amsterdam - 'een dorp' - terwijl ik de grandeur van Boedapest nog nooit had gezien, dat bovendien, zoals je toentertijd met nadruk stelde, 'de enige stad met een ziel' was?

Zodra je dat kon, ben je naar je land teruggekeerd, bekennend dat je buiten Hongarije bij wijze van spreken geen lucht kreeg. Ik ben gebleven. De jaren gingen voorbij. En in je laatste brief vraag je, op pseudo-spottende toon, wanneer ik eindelijk eens besluit om de duivel die mij aan de grachten kluistert uit te drijven en definitief terug te keren naar het nest.

Nu is alles in het leven maar zelden wat het lijkt of wat je denkt dat het is, zo ook de duivel die mij nog steeds hier houdt: hij is niet opgedoken uit de grachten, maar vertoonde zich op een van de meest prozaïsche plekken van de stad: het Olympiaplein. Ik weet niet of je je dat nog kunt herinneren, een rechthoek van saaie huizenblokken rond een sportpark. Tijdens mijn eerste winter in dit land stond ik daar een keer laat op de avond, aan de korte kant met de tramlijn, te wachten op een taxi om naar huis te gaan. Tot op het bot verkleumd door een wind die rechtstreeks vanuit Siberië kwam aanwaaien. Nergens was een mens of een verlicht raam te zien en wat eerst nevelslierten waren geweest, veranderde ineens in een dichte mist, die aan het plein en het verlengde daarvan richting Olympisch Stadion iets irreëels verleende. De lampen van de straatlantarens leken te drijven. Het gelige schijnsel weerkaatste als grove penseelstreken op de muren en kleurde de bakstenen met een theatraal koloriet van rossige tinten.

Terwijl ik me daar geleidelijk bewust werd van mijn eenzaamheid en tegelijkertijd de magie van het moment en de plaats tot me doordrong, viel het me plotseling op dat het doodstil was. Amsterdam lag zo diep te slapen onder zijn deken van mist, dat ik het zelfs met gespitste oren niet eens hoorde ademen. En alsof een deel van het mysterie dat ons bestaan is me daar werd onthuld, voelde ik mij toen volkomen in evenwicht met de stad en het leven, bevrijd van alle lasten en zorgen uit het verleden. Tijdens dat korte ogenblik van pure geluksbeleving besloot ik te blijven. En voordat de betovering verbroken zou worden door een geluid of gestalte, zette ik de kraag van mijn overjas op en begon, niet langer wachtend op de taxi die maar uitbleef, te lopen, op weg naar huis en de vreugden en het verdriet van mijn toekomst.

Servus

    • J. Rentes de Carvalho