Zelfs Lanzmann maakt deel uit van de oorlogsindustrie

'Nederig en trots dacht ik oprecht dat er een tijd voor Shoah, en een tijd na Shoah was en dat na Shoah een aantal dingen niet meer gedaan zouden kunnen worden.' (Lanzmann in NRC Handelsblad 26-3-1994.) Nederigheid is een categorie die op de Franse cineast Claude Lanzmann totaal niet van toepassing is. Ter informatie van de lezer: met Shoah bedoelt hij zijn eigen negen uur durende documentaire, niet dè Shoah (of Holocaust; het hangt ervan af hoe politiek correct men wil zijn). Arrogantie en zelfoverschatting is beter van toepassing op het gedrag dat hij tentoonspreidt. De afgelopen weken heb ik hem enkele malen op televisie in onnavolgbaar Engels als een verwende Fransman zijn afkeer van Spielbergs Schindler's List zien demonstreren. Hier was geen collega-filmer aan het woord, maar een verbitterde concurrent. Hoe is het mogelijk dat iemand, die natuurlijk best weet dat films vergankelijk zijn, dat films verouderen, zijn eigen Shoah-film als een onvergankelijk ijkpunt beschouwt?

Is Lanzmann wellicht tegen de speelfilm als genre? 'Trouwens, ik zie niet in hoe acteurs gestalte zouden kunnen geven aan gedeporteerden die maanden, jaren van ongeluk, vernedering, ellende achter de rug hebben en crepeerden van angst.' Waarom zou dat niet kunnen? Cineasten proberen toch altijd zaken èn mensen te reconstrueren, soms met goed en soms met slecht resultaat? In het begin van zijn verhaal vermeldt Lanzmann dat hij andere films van Spielberg heeft gezien en dat ze mooi vond. Lanzmann is tegen de speelfilm als genre als het om de Shoah gaat, wellicht wegens de uniciteit van deze moord, die wegens die uniciteit onfilmbaar is. Ik denk dat Lanzmann tegen de speelfilm is omdat hij documentarist is. Zijn argumenten tegen de speelfilm als genre zijn wel zwak; het enige wat hij zelf toegeeft: 'In zekere zin ben ik niet in staat mijn beweringen te staven.'

Het lijkt bijna alsof hij denkt dat documentaires dichter bij 'de waarheid' komen dan speelfilms. Terwijl hij toch ook zal weten dat documentaires net zo hard kunnen liegen als speelfilms. Een van de belangrijkste bezwaren tegen zijn eigen Shoah was de nadruk die hij legde op de medeplichtigheid, het daderschap van de Polen. Hij was en is overtuigd van dat daderschap, dus liet hij dat zien; hij is er natuurlijk niet pas achter gekomen toen hij zijn interviews maakte.

Lanzmann is bang dat de verbeelding van de herinnering onbeheersbaar is; hij is bang dat er een virtual reality van de Holocaust gaat ontstaan; een Nintendo-Auschwitz. Natuurlijk is dat iets waar je bang voor kunt zijn; de ontwikkelingen van musea in de Verenigde Staten en elders geven daar genoeg aanleiding toe. Maar als je bang bent voor een reconstructie van het verleden, moet je er niet aan meedoen, dan moet je geen medeplichtige worden. Als je de massamoord niet wilt of niet kunt benoemen, omdat je het onbenoembaar vindt, moet je het niet doen. Maar als je zelf filmt, ook al noem je het 'een nieuwe vorm' en niet een reconstructie, moet je mee discussiëren over de verbeelding van het verleden, over de vorm en over de inhoud.

Lanzmann weigert te accepteren dat ook hij onderdeel is van een naoorlogs proces dat je als 'de naoorlogse oorlogsindustrie' kunt aanduiden. Duizenden, wellicht tienduizenden professionals houden zich met de Tweede Wereldoorlog bezig, een deel daarvan houdt zich met de Holocaust bezig en Lanzmann is daar een van. Er is een fraaie scène in de film Hotel Terminus, the live and time of Klaus Barbie; de maker Marcel Ophuls ontmoet Lanzmann en maakt een praatje met hem en je ziet de concurrentie (wie maakt de langste film?) èn de tevredenheid van twee cineasten, beiden rechter èn gids door oorlogsland.

Er zijn al meer dan 150 films gemaakt die direct of indirect met de Holocaust te maken hebben, maar het is nog nooit voorgekomen dat zo'n film een Oscar haalde; Sophie's Choice uit 1982 komt nog het dichtst in de buurt. De meeste filmers, maar in elk geval de filmhistorici, realiseren zich dat het verfilmen van (gedeeltes) van deze massamoord iets anders is dan het verfilmen van een cowboyverhaal. De boektitels verwijzen er ook al naar: Onuitwisbare schaduwen van Annette Insdorf en Beelden van het ongrijpbare van Ilan Avisar, om twee belangrijke studies te noemen. Elke periode heeft natuurlijk zijn eigen Holocaustverfilming. Een mooi voorbeeld is Nuit et Brouillard van Alain Resnais uit 1955. Een echte klassieker; er is veel over geschreven, er wordt nog steeds over gesproken, maar toen ik hem kort geleden zag, was het een gedateerde film en dat is niet zo vreemd. Shoah van Lanzmann gaat zonder twijfel dezelfde kant uit, waarbij de kans dat iemand hem (nogmaals) gaat zien, bijzonder klein is, al is het alleen maar vanwege de lengte.

Je moet over Schindler's List kunnen discussiëren, je kunt bijvoorbeeld zeggen dat het laatste half uur meer Hollywood dan Holocaust is, maar je kunt er niet onderuit dat het een indrukwekkende film is. Het is unfair van Lanzmann om te schrijven dat voor Spielberg 'de uitroeiing een decor is.'

Lanzmann eindigt zijn stuk aldus: 'Het laatste beeld van Shoah is anders (dan dat van Schindler's List). Het is een trein die rijdt en nooit stopt. Om te zeggen dat de holocaust geen einde heeft.' Maar de cineast uit Parijs vindt wel dat de verbeelding daarvan op het witte doek een einde heeft, want hij heeft Shoah gemaakt en daar moeten we het verder mee doen. Ik ben er zeker van dat er geen gevolg aan zijn oproep zal worden gegeven en dat lijkt mij zeer terecht.