Wat niet weet

De mensen hebben veel voor elkaar te verbergen, dat is bekend: afkeer, sluwe voornemens, ontuchtige gedachten, kwaadsprekerij. Het is gewoon een wonder wat er allemaal in die hoofden is verscholen zonder dat daar op de gezichten iets van te merken is of in de woorden ook maar iets van doorklinkt.

-En, heeft het gesmaakt?

-Oh ja, het was heerlijk, gewoonweg zalig.

Maar daar is dan niets van aan.

Dat is de gewoonste zaak van de wereld. Er komt voor alle kinderen een moment dat ze voor de eerste keer tot hun stomme verbazing hun ouders glashard horen liegen. Tot dan toe dachten ze dat alleen zij wel eens jokten, nu blijken grote mensen, die daar toch zo op tegen waren, ook te liegen, maar zonder de minste blos of hapering. Dan volgt voor een kind niet zozeer het verlies van onschuld, maar het begin van medeplichtigheid met de ouders.

Soms sukkelt iemand als een tram die een wissel neemt het verkeerde spoor op en is er geen weg terug meer mogelijk. “Die Rogier Raveel”, zegt ze opeens met veel overtuiging, - ze is aardig, slim en heel koket, hij heeft er veel voor over om bij haar in de smaak te vallen - “is qua penseelvoering toch eigenlijk niet veel soeps”. Hij hoort zichzelf meepraten: “Nee nou je 't zegt, op de keper beschouwd blijft er niet veel van over.” De orkaan van verontwaardiging die nu in hem zou moeten opsteken over het verraad aan zijn lievelingsschilder blijft nog even uit, want hij is te druk bezig in haar zoete gunst te raken. Ze neemt hem goedkeurend op, over de kunst zijn ze het alvast eens, eigenwijs is hij niet, nu nog zien of ze het een hele maaltijd met hem uithoudt.

In deze taxonomie van de onwaarachtigheid hoort ook het voorwenden dat je iets gelezen hebt, gehoord of gezien, waar je in werkelijkheid niets van afweet. “Schopenhauer was daar natuurlijk mordicus tegen”, zei iemand en te laat betrap ik me erop dat ik al achteloos heb meegeknikt. Tja, daar zal die Schopenhauer wel tegen geweest zijn, en het gesprek komt zo wel weer op een ander, veiliger onderwerp. Maar nee, mijn gespreksgenoot wil nu door op de Wereld als wil en voorstelling (van Schopenhauer dus). Zie ik dan niet dat de filosoof zich hier in een onhoudbare positie heeft gewerkt? Eigenlijk zie ik dat niet, nee, maar van mezelf begint me dat nu wel dwars te zitten. Er moet in dit gesprek gauw iets gebeuren, het moet een radicaal andere wending krijgen en ik grijp in: sociologisch gezien, poneer ik, is dit slechts een schijnprobleem, Tony Giddens heeft daar al voorgoed mee afgerekend. Ik ben even vergeten dat ik Giddens ook alleen maar uit de verte ken, maar mijn gespreksgenoot heeft er vast en zeker nog nooit een letter van gelezen. De conversatie sijpelt weg in beiderlei onbenul.

Al dat gejok en gedraai over wat je wel of niet weet, gehoord hebt of gezien, dat is alweer een beschavingsziekte. Hoe meer de mensen zijn opgevoed, onderwezen en gevormd, des te hoger zijn hun verwachtingen van de eisen die anderen aan hen zullen stellen. Een ontwikkeld mens is iemand die ten minste de moeite neemt belezenheid te veinzen. De minder geschoolde standen proberen het niet eens.

Een tijd geleden, toen men zich zorgen begon te maken over het algemeen ontwikkelingspeil van de Amerikaanse jeugd verscheen er in de VS een boek waarin ongeveer alles stond opgesomd wat een mens volgens de auteurs eigenlijk behoort te weten. Omdat niemand alsnog zo'n boek uit zijn hoofd gaat leren werd het gelezen als een lijst van onderwerpen waarvan je moest verbergen dat je er niet van op de hoogte was. De parate kennis bleef gelijk, maar de parate leugen nam spectaculair toe.

Daar worden mensen in de lange jaren van hun schooltijd dan ook zorgvuldig op afgericht. Het middelbaar en hoger onderwijs is vooral een training in het praten over boeken die je niet gelezen hebt. Dat begint op school met de verplichte leeslijst: van al die titels zijn uittreksels te krijgen die de scholieren uit hun hoofd leren. Op het examen doen ze net alsof ze de oertekst hebben doorgewerkt en op die schijnvertoning worden ze, net als later, beoordeeld.

Ook het universitair onderwijs richt mensen af om te praten over boeken die ze niet van eigen lezing kennen. Toen ik pas begon als docent was de bevindelijkheid aan de orde van de dag: de beurt was aan Marleen en zij vond dat Max Weber haar niet zo aansprak, niet persoonlijk tenminste, of niet zo direct. En wat sprak haar dan niet aan? Nou in zijn geheel niet zo. Het was zo abstract en ook zo ver van de mensen vandaan.

Zo gaat het nog steeds en in het buitenland is het niet anders. In Cornell University nam bij de eerste les een rijzige student het woord. De literatuur van deze week, meende hij, confronteerde ons met het probleem van de historische bepaaldheid, dan wel de contingentie der geschiedenis. Ik schoot in de lach, en moet ik zeggen, tot zijn eer, hij ook.

Goed geprobeerd.

Ik ken op dit thema maar één heldenverhaal en de hoofdpersoon is Norbert Elias. Op een van de bijeenkomsten die de laatste jaren van zijn leven aaneenregen wilde iemand weten wat hij vond van een leerstuk in het oeuvre van Habermas. Nu kende Elias die Habermas heel goed, maar vooral persoonlijk en onder diens werken waren er, vermoed ik, vele die Elias nog even niet gelezen had. Maar Elias riposteerde zonder de minste hapering: Wat denkt u dat de ideeën van Habermas zouden kunnen toevoegen aan mijn werk?

In het alledaags verkeer vormen belezenheid en feitenkennis het bedrijfskapitaal van de geschoolde stand. De beginnende ondernemer moet nog overal zijn weetjes laten zien, maar wie eenmaal kredietwaardig is hoeft zich niet meer zo te laten ondervragen. Een erudiet is iemand die de macht heeft om het gesprek te beperken tot de boeken die hij gelezen heeft.

    • A. de Swaan