'Wat ben je toch een lomp varken Wim, zei mijn vrouw'

ST. WILLEBRORD, 2 APRIL. Zijn keurig gepoetste racefiets is er klaar voor. Een dezer dagen begint voor hem het nieuwe seizoen. Drie maal per week gaat hij dan op pad voor een tocht van circa veertig kilometer. Over pakweg een maand verdubbelt hij die afstand. De Locomotief uit St. Willebrord loopt nog steeds, ook al is hij eenenzeventig jaar. IJzeren Wim van Est is niet kapot te krijgen. Morgen zit hij aan de buis, de eerste Nederlandse triomfator in de Ronde van Vlaanderen. De winnaar van 1953 rekent er niet op dat een landgenoot hem morgen zal evenaren. “Onze wielersport zit in een dal, jongen. Er zijn best klasmannekes bij, maar ze kunnen niet meer afzien.”

Zijn armen, benen en nu en dan een vloek gebruikt hij om zijn betoog te ondersteunen. Zijn ogen vlammen bij tijd en wijle. “Ik zeg altijd: de school der wielrenners, dat is het hardste wat er bestaat. Er zijn er niet veel die het examen halen.” Ken je Bart van Est nog, wil hij weten. “Dat is wijd weg een familielid. Die kon pas koersen. In de jaren zeventig en tachtig won hij elke competitie wel vijfentwintig wedstrijden. Als amateur werd hij wereldkampioen op de ploegentijdrit. Honderd ballen gaf ik hem voor een gewonnen rit. Maar hij kreeg als zovelen tegenwoordig een dikke kop en het was afgelopen.”

Met zijn stoere, karakteristieke kop lijkt hij nog op de Van Est uit zijn gloriejaren. Op de onvergetelijke, geblokte Tourheld. In 1951 droeg hij de gele leiderstrui toen hij in de afdaling van de Aubisque in een ravijn tuimelde. De commercie stortte zich onmiddellijk op de spectaculaire val: 'Zeventig meter viel hij diep, Zijn hart stond stil, Zijn Pontiac liep', luidde de slogan, waarvan Van Est financieel niet bijster veel wijzer werd.

Wat het geld betreft verkeerde de Brabander in die periode sowieso in grote onzekerheid. Hij maakte van '49 tot '54 deel uit van de Franse formatie Garin, een fietsenfabrikant die voortdurend op de rand van het faillissement balanceerde. Misschien daarom probeerde de prof harde guldens binnen te halen door wat hij noemt “slagen te maken”. “Het NK van 1953” bekent hij, “heb ik aan Gerrit Schulte verkocht. Gerrit kwam voor de titelstrijd op de Cauberg naar me toe en bood me duizend piek. Hij wilde zijn carrière met iets moois afsluiten. 'Vijfentwintighonderd', zei ik, 'anders doe ik het niet'. Ik zal die wedstrijd trouwens nooit vergeten, want de andere dag stond er in de krant: Oude Schulte vermorzelt Van Est. Mijn vrouw was laaiend. 'Je bent van boeren afkomst Wim', zei ze, 'maar je bent ook een echte boerelul, wat ben je toch een lomp varken'.”

Er was eveneens geld in het spel bij zijn triomf in de Ronde van Vlaanderen, nu eenenveertig jaar geleden. De Brabander schudt het lange verhaal zo uit zijn mouw. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat hij de tijdsverschillen overdrijft. “Heuveltje op, heuveltje af ging het in de finale”, weet Van Est nog. Ik kwam op kop. Organisator Van Wijnendaele kwam me drie keer melden hoe ver ik vóór zat. De laatste maal zei hij: 'Het zit in de zak Wim, je zit zeveneneenhalve minuut voor'. Toen kwam onze teambaas Driessens naast me rijden. 'Stoppen, stoppen', riep hij, terwijl ik nog veertien kilometer had te gaan. 'Keeteleer komt er aan', zei hij. 'Wacht op hem, dan kunnen we één en twee worden'. Ik ging naar een terrasje en bestelde een kop koffie en een broodje. 'Verdomme, ben je zot geworden', riepen toeschouwers naar me. 'Waarom rij jij niet verder? Je zit minstens vier minuten voor'. Ik durfde dat niet, wegens de dreigementen van Driessens. Die had geschreeuwd dat ik de ploeg uit gegooid zou worden als ik me niet aan zijn bevelen hield.”

Driessens ging nog verder. “Die Keeteleer kwam bij me, maar hij zat steenkapot. Ik was zo fit als een hoentje en hield het tempo hoog. Toen vloog Driessens ons voorbij, zonder iets te zeggen, met honderd in het uur. Voor de finish in Wetteren was er een overweg. Hij stopte die spoorwegbeambte geld toe, zodat hij de bomen omlaag deed. Ik zie Lomme, die linkebal, nog uit dat wachtershuisje komen. Staan we tweeëneenhalve minuut voor die bomen, zonder dat er een trein kwam. Aan de overkant van het spoor stond Driessens. 'Maak het af, regel het nu, Désiré', riep hij naar Keteleer. Ik wou met mijn fiets over die bomen klimmen. 'Dat mag niet', schreeuwde Lomme, 'dan word je gediskwalificeerd'. Toen pas durfde Keteleer: 'Wat ga je me betalen als je wint'? vroeg hij me. Ik vroeg hem of hij dacht dat ik een gaatje in mijn kop had. Nou, toen we verder konden ben ik als een beest tekeer gegaan. Hij was compleet bekaf en al ver voor de meet kansloos.”

Van Est schenkt nog eens thee in. “Ach meneer, ik heb zo veel beleefd in mijn leven.” Hij kan nog uren verder vertellen. Over zijn ruzies met Rik van Looy en zijn aanvaringen met Kees Pellenaars, de bekende ploegleider. 'De Pel' passeerde Van Est eens voor de Tour, tot woede van de fans van Van Est, die de teambaas prompt bedreigden. Pellenaars was niet bang: Hier is 't liet hij op zijn woning kalken. “Alle avonturen komen in een boek”, meldt Van Est, “een boek dat ik zelf aan het schrijven ben. Ik ben momenteel bij het jaar 1957. Natuurlijk heb ik ook de oorlog opgetekend. Geitevellen smokkelde ik. En kaas en tapijten, voor de zigeuners in Terheijden. Daar verdiende ik kapitalen mee.”

Zijn levensverhaal begint vanzelfsprekend bij zijn jeugd. “Het is leerzaam, vooral voor de verwende jongeren van tegenwoordig. Als dertienjarige moest ik bij een andere boer gaan werken, op Stampersgat. Voor drieëneenhalve gulden in de week. Hoewel ik de moord stikte van de vort (heimwee, red.), moest ik daar ook in de kost. De weinige uren dat ik sliep, lag ik in een bakkeet. 's Nachts werd ik wakker van de ratten, die op het spek afkwamen dat in dat kot hing. Een jaar ben ik er geweest. Toen kwam ik van het melken. Met paard en wagen. Dat dier kreeg een krant in zijn gezicht en sloeg op hol. Het kerkvolk op de dijk stoof aan de kant, terwijl de ene bus na de ander van mijn kar rolde. Terug op de boerewerf gaf die knol er nog een laatste slinger aan. Met een klap sloegen we tegen de gevel van een schuur. Die was volledig naar de knoppen. Zelf mankeerde ik niets. Voor de boer er was, was ik natuurlijk verdwenen. Nu kan ik erom lachen, maar ik had daar een keihard leven. Ik heb er ook verschrikkelijk veel slaag gehad. Afzien was het meneer, méér afzien soms dan ik in de lastigste koers ooit heb gedaan.”

    • Guido de Vries