VNO-sprookje

Op 11 november 1993 schreef ik in de column 'Tsjaad of Zwitserland' over landen met een slechte uitgangspositie voor economische groei. Citaat: “kleine landen zijn het die ingesloten liggen tussen vaak vijandige buurlanden, afgesloten van zee en zonder natuurlijke hulpbronnen of bodemschatten. Een groot deel van de grond is bergachtig en onvruchtbaar. Verbindingen bestaan niet en zijn moeilijk aan te leggen wegens de vele bergen (...). De bevolking is klein en valt uiteen in verschillende groepen, zonder culturele of linguïstische banden. De mensen zijn zo arm dat ze emigreren of als huurlingen dienst nemen in buitenlandse legers. Zo'n land lijkt nauwelijks toekomstmogelijkheden te hebben. Het is het uitzichtloze ontwikkelingsland par excellence. Toch is dit, zoals de Zwitserse historicus Bairoch heeft opgemerkt, een vrij adequate beschrijving van Zwitserland zo'n tweehonderd jaar geleden.”

En ik vervolgde: Zwitserland is nu “één van de rijkste landen van de wereld. Hoe is dat gekomen? Een deel van het antwoord op deze vraag ligt in het feit dat Zwitserland het eerste land in Europa was dat het Engelse voorbeeld volgde en de Industriële Revolutie aanvaardde. Het werd dan ook al snel een concurrent voor Engeland, zozeer zelfs dat dit land in 1835 een onderzoekscommissie naar Zwitserland stuurde om uit te zoeken hoe het mogelijk was dat dat kleine land met nauwelijks twee miljoen inwoners op alle markten van de wereld met het machtige Albion concurreerde. De Engelse waarnemers concludeerden dat het Zwitserse succes verklaard moest worden uit de consequente vrijhandelspolitiek. Dat was inderdaad een factor van belang, maar deze alleen kan het Zwitserse succes niet volledig verklaren. Er waren ook andere factoren in het geding: staatsonthouding, fiscale politiek, alfabetisering, spaarzin, politieke rust, neutraliteit en afzijdigheid”.

Ter gelegenheid van het grote economiedebat van minister Andriessen publiceerde het VNO een brochure getiteld Nederland moet kiezen. Die brochure begint en eindigt met een sprookje. Uit de laatste citeer ik: “Er was eens een klein land... met een erg ongunstige ligging. De kleine bevolking bestond uit verschillende groepen met elk een eigen achtergrond, taal en godsdienst. Het land was bergachtig, de grond onvruchtbaar en zonder delfstoffen erin. De schaarse wegen waren onbegaanbaar. Geen wonder dat de mensen in dat land erg arm waren. Velen traden als huurling in dienst van buitenlandse legers of emigreerden. De situatie leek hopeloos. Totdat de mensen besloten de handen uit de mouwen te steken (...) De regering zorgde voor omstandigheden waaronder de industrie kon opbloeien. Zij voerde een consequente vrijhandelspolitiek en schiep voorwaarden voor politieke rust en een snelle alfabetisering van de bevolking. Ze bracht bovendien een verbetering van de infrastructuur tot stand. De resultaten lieten niet lang op zich wachten (...) Het land werd het rijkste ter wereld. Een sprookje? Een wensdroom? Nee hoor. Sinds zijn krachtige industralisatie behoort Zwitserland tot de rijkste landen ter wereld. In 1835 stuurde Engeland een commissie om uit te zoeken hoe dit kleine land met nauwelijks twee miljoen inwoners op alle markten van de wereld met Engeland kon concurreren.”

Ik ontving de brochure per post, met de volgende brief: Geachte heer Wesseling In het kader van de VNO/NCW-campagne over het industriebeleid hebben wij bijgaande brochure gepubliceerd. Voor het verhaal over Zwitserland op pagina 35 hebben wij dankbaar gebruik gemaakt van uw column in het NRC Handelsblad d.d. 11 november 1993, “Tsjaad of Zwitserland”. Met vriendelijke groet Drs. R.J.Tjeerdsma Secretaris Economische Zaken.

Wat ik zou willen weten, is waaruit die dankbaarheid van het VNO blijkt. Ik heb weleens gehoord dat werkgevers als zij iets voor elkaar doen de chauffeur een kist Mouton-Rothschild in de auto laten zetten. Aan de universtiteit gaat het anders toe. Daar blijkt die dankbaarheid uit het feit dat men degene noemt aan wie men bepaalde gedachten of gegevens heeft ontleend. Onnodig te zeggen dat het VNO nooit toestemming heeft gevraagd voor deze staaltjes van kopieerkunst en in de brochure zelf nergens naar mijn column verwijst.

In een eerdere column schreef ik dat de medewerkers die zich bij het VNO bezighouden met hoger onderwijs niet kunnen schrijven of denken. Ik begrijp niet veel van ondernemers. Ik dacht dat een werkgever die mensen aantrekt om voor hem te denken en te schrijven als blijkt dat ze noch het een noch het ander kunnen, die mensen ontslaat. Bij het VNO gaat het kennelijk anders toe: Wie niet kan denken, kan altijd nog stelen. Wie niet kan schrijven, kan in ieder geval overschrijven.