Van alledaagse onvrede naar redeloze rancune; Op zoek naar de CD-stemmer

Het Amsterdamse gemeenteraadslid Roel van Duijn zocht deze week de confrontatie met de stemmers op de extreem-rechtse lijsten. Op werkbezoek in het stadsdeel Geuzenveld/Slotermeer. Een Groen politicus die weigert te geloven dat er 'zóveel racisten' zijn moet toch even slikken.

'Kijk dan!', zegt de oud-vakbondsman. “Nou zie je toch zelf wat een rotzooi het is.” De politicus zoekt, maar kan niet vinden. Het tuintje achter het Immanuel Kanthof ligt er sappig groen bij. Geen perkjes misschien, ook wel een slordige schutting. Er kruipt wat doorgeschoten uienloof uit de grond, maar het ìs een tuintje. “Daar komt straks allemaal onkruid!” De buurtbewoner kan niet geloven dat de bezoeker het niet ziet. Dit is toch je reinste Turkentuin.

Nee, Roel van Duijn, enig overgebleven gemeenteraadslid voor de Groenen in Amsterdam, ziet het niet. Hij wijst verderop. Een tegelterrasje. “Dat vind ik veel erger, daar is helemaal geen groen meer.” Opperste verbazing: daar is het juist netjes. Daar hebben die mensen hard aan gewerkt. Als straks in de 'Turkentuin' het onkruid woekert, schiet het vast ook op tussen de naden van de tegels. En dan is het nergens meer netjes.

Van Duijn is op bezoek in stadsdeel Geuzenveld/Slotermeer. De meeste Amsterdammers komen er eigenlijk alleen maar voor het rij-examen. De lesauto's kruipen door de straten. Maar sinds de verkiezingen voor de gemeenteraad, nu een maand geleden, heeft dit stadsdeel zich definitief in het rijtje 'wijken' geplaatst, waar progressieve politici 'in' moeten. Extreem rechts is er bijna de belangrijkste politieke stroming geworden. Als je de stemmen voor CP'86, CD en Leefbaar Amsterdam bijelkaar optelt, dan komen ze hier bijna aan twintig procent.

Reden voor Van Duijn om zijn fiets te pakken en met een uitnodigingsbrief en een zak mandarijntjes onder de arm naar de westelijke tuinsteden te fietsen. “Ik weiger te geloven dat er zoveel racisten in Amsterdam wonen”, staat er in. “Ik wil graag weten wat u bezielt.” Drie dagen heeft hij daarom zijn hoofdkwartier gevestigd in buurthuis Slotermeer, tegenover het jachtterrein: de markt op het Plein '40 - '45.

Vijf oudere mannen lopen het buurthuis binnen. Ze komen kaarten, maar zodra Van Duijn het woord 'buitenlander' laat vallen, struikelen ze over hun associaties. Wapens, drugs, criminaliteit, werkloosheid, discriminatie (van Nederlanders), verkrachtingen, vuil, rotzooi. Een tafeltje verderop zit de Nederlandse les te pauzeren. Een leraar met een paar Marokkaanse leerlingen. Van Duijn en zijn medewerker weten zich op de juiste plaats.

Daar schuift een oud-buschauffeur aan voor een kop koffie. Hij is ook gekomen voor een klaverjassie, maar zijn maten zijn er niet. “Van de Groenen”, stelt Van Duijn zich voor in zijn keurig-Haagse accent. Tsja, zegt de chauffeur. Van politiek heeft hij geen verstand. Maar CD stemmen doe je om de regering op te stoken. Dat weet-ie nog van de jaren vijftig, toen hij net op de bus reed - voor een schijtloon. Toen de communisten veertien zetels hadden gehaald, ging het ook beter met de gewone mensen.

Oorlog

Van Duijn pelt mandarijntjes. Niemand wil er een, dus hij slaat zich alleen door de zak heen. Een andere man komt erbij. Zwart haar, gouden montuur, een sigaret kleeft voortdurend tussen zijn vingers. Hij heeft aan een half woord genoeg: “Veertig procent van de buitenlanders is crimineel.” Hoe weet u dat, vraagt Van Duijn. “Is dat soms uw eigen schatting?” Weet hìj dat dan niet, is de wedervraag. Nee, Van Duijn weet het niet.

Hij is hier gekomen om vooroordelen bloot te leggen, opdat de mensen zelf inzien dat ze het bij het verkeerde eind hebben. “Hoe weet u dat Turken en Marokkanen onderling discrimineren?” Dat weet de oud-werknemer van de spoorwegen van zijn werk. Eén - nul in de wedstrijd Levenservaring - Politiek. Van Duijn begint opnieuw.

“Moeten de illegalen worden teruggestuurd?” Ja, waarom niet? “In hun land hebben ze geen werk.” Nou en? “Ze zijn daar arm”, weerlegt Van Duijn. Is dat dan onze schuld? Wij hebben dit land met zijn allen opgebouwd na de oorlog. “Daar bent u toch een beetje te jong voor”, schat Van Duijn. Niks hoor, de aangesprokene is zeventig. Hij legt zijn been op tafel. Plastic. In de oorlog gebeurd. Van Duijns assistent - “Ik heet toevallig Janmaat” - gluurt schichtig naar het hard-roze dat uit de sok steekt.

Van Duijn spreekt een nieuwkomer toe: “Weet u dat Janmaat ook voor bevriezing van de AOW is?” O ja? Hij is een ouwe socialist, dus op Janmaat zou hij nooit stemmen. Maar dat het rottijden zijn, dat kan niemand ontkennen. “Uit onderzoek blijkt dat Nederland een van de gelukkigste landen is”, stelt Van Duijn. Waarom heeft een man van 70, zoals hij, dan een 'ploertendooier' aan de kapstok hangen? En waarom gaat die altijd mee uit wandelen? Nee, het is niet meer zoals vroeger.

Van de oude buschauffeur hoeven de Turken het land niet uit, maar ze zouden niet meer dan twee kinderen mogen krijgen. “En jij hebt zeven broers”, roept een tafelgenoot. Ach. Het is gewoon dat je alleen nog maar Turks op straat hoort. Hij woont hier al sinds '56 en hij reed op lijn 21 door West, die stopte voor zijn huis. In zijn revers steekt een geel busspeldje.

Tram 14

De buschauffeur is 'eerste generatie' Geuzenvelder. De westelijke tuinsteden - Slotermeer, Geuzenveld, Slotervaart en Osdorp - zijn ontworpen in de jaren dertig, maar de Tweede Wereldoorlog verhinderde de aanleg. Pas na de oorlog zijn ze aan de stad geplakt. Ruime woningen tegen een lage huurprijs. Uit vooroorlogs idealisme ontworpen voor de Hollandse arbeiders. Maar met de komst van buitenlandse gastarbeiders veranderde er veel. Eerst trokken de nieuwkomers vooral naar Amsterdam Zuidoost en de negentiende-eeuwse wijken zoals de Baarsjes, Bos en Lommer en Oost. De laatste jaren vestigen zij zich meer en meer in de westelijke tuinsteden. Bijna 30 procent van de inwoners is van niet-Nederlandse origine.

De autochtonen in deze stadsdelen zijn vergrijsd. De kinderen vertrokken, vaak naar buiten Amsterdam: Almere, Purmerend, Hoofddorp. De ouders bleven achter en zagen de buurt snel veranderen. In de hoogste klas van scholengemeenschap de Westelijke tuinsteden is de helft van de kinderen nog 'wit', de klassen daaronder zijn bijna helemaal 'zwart'. “Als ik in tramlijn 14 stap, krijg ik acuut hyperventilatie”, vertrouwt een vrouw Roel van Duijn toe.

Vanuit de zevende verdieping van het Tuinstadhuis kijkt deelraadvoorzitter Rob Sawade (PvdA) over het marktplein. De groenteboer verkoopt oebies, kouseband, rawit, nieuwe Marokkaanse aardappelen en Zeeuwse uien. Er worden Noorse garnalen, Engelse pockets en Vietnamese loempia's verkocht. Er wandelen mensen van wie de ouders zijn geboren in Suriname, Marokko, de Antillen, Turkije, Ghana, Rusland, Duitsland. Het ziet er kosmopolitisch uit, maar Sawade koestert weinig illusies. Veel mensen zien het als een bedreiging dat er nu zes buitenlandse gezinnen op het trappehuis wonen, en een paar jaar geleden nog maar één. Op een bevolking van 36.500, komen er vijfhonderd nieuwkomers per jaar bij. Daarbij voegt zich nog een veelvoud dat doorstroomt uit andere wijken.

Sawade ziet beneden de twee Groenen de markt opkuieren en de mensen aanspreken. “Van Duijn heeft zich erover verbaasd dat de CD hier zo heeft gewonnen. Wij wisten allang dat het zou gebeuren. Ik ken mijn buurt toch. Ik loop hier elke dag rond. Ik verheug me er liever over dat vijf van de zes mensen nìet op extreem-rechts hebben gestemd.” Hij zegt het met trots. Met de politie en andere diensten heeft hij een 'buurtschouw' gehouden. Ze wilden aanvankelijk allemaal CD stemmen. Nu hebben ze op hem gestemd. Omdat hij heeft geluisterd. Niet omdat hij ze naar de mond praat. “Als zij klagen over het plantsoentje, zeg ik: Heb je je eigen tuin wel eens gezien?” En dan gaan we er ieder iets aan doen. Dat helpt meer dan discussiëren.

“Mag ik u deze brief geven?” De vrouw op de markt is niet zo happig. Over de CD gaat het. Aarzelend pakt ze het papier. “Ik ben Roel van Duijn van Groen Amsterdam.” Het papier valt als een gloeiende staalplaat uit haar handen. Niets wil ze ervan weten. Andere mensen blijven wel staan. En naarmate de toon hoger wordt, sluiten zich meer aan. Natuurlijk is Nederland vol. “Maar er is toch volop ruimte in Friesland of Drenthe”, denkt Van Duijn. Heeft hij dan werk voor die mensen? Van Duijn wel: “Ze kunnen windmolens maken of zonnecellen. Fietspaden aanleggen.”

“Je wordt gewoon gediscrimineerd in je eigen land”, zegt een mevrouw. Ze heeft een zuster die al vijf jaar op een huis wacht. “Maar komt er naast mij iets leeg dan trekken er zo Turken in.” Instemmend geroep. En waarom neemt de politie eerst allochtonen aan? Onze jeugd komt toch ook niet aan de bak? Het gesprek zwalkt langs alle bekende terreinen van onvrede. “Ik heb van Kok nog twee kwartjes tegoed: de benzine-accijns.” En waarom worden criminelen zomaar vrijgelaten?

Kindertarief

Aerobics, naailes en zwemles - allemaal goedkoper voor allochtonen. “Of ik mag er niet eens aan meedoen, omdat het alleen voor Turken is.” Welzijnswerkers, die máken gewoon een racist van je. Van Duijn zwijgt. Het klopt wat ze zeggen, sommige cursussen voor buitenlanders zijn goedkoper omdat ze worden gesubsidieerd. Of omdat Marokkaanse vrouwen langer als meisjes worden beschouwd en dus tegen kindertarief les kunnen krijgen.

“Al waren er maar vijf kinderen in mijn straat blank. Dan was ik al tevreden. Maar nee, mijn dochtertje is de enige.” Ineens hoort Van Duijn zichzelf het asielbeleid van Kosto aanprijzen. “Er worden toch maatregelen genomen om de komst van vreemdelingen te beperken.”

Dan dringt een zware man zich door het kluitje. Aan de hand heeft hij een all terrain bike. Hij slaat Van Duijn woedend de brief uit handen. Hoe ben je hier gekomen, vraagt de man. Zijn buik drukt tegen het fietsstuur aan. Met de fiets, antwoordt Van Duijn. Fout! Had-ie echt iets willen leren over Slotermeer, dan had hij met tramlijn 14 moeten komen. Zit geen conducteur op, hoor, dus ze kunnen allemaal meerijden zonder te betalen. Drugsspuiten liggen d'r in. Je hebt zo een mes op je keel. Van Duijn slikt en zwijgt. De man duwt met zijn buik zijn fiets verder op.

Natuurlijk stemt-ie CD. “Jij dan niet?” Hij heeft er lang genoeg voor geploeterd. Altijd in de vakbond actief geweest. En hij kookt van woede als-ie bedenkt dat dat buitenlandse zooitje altijd maar van zijn geld rondhangt in het Sloterparkbad en verder niets uitvoert. Ja, vrouwen begluren, zegt een jongere vrouw. Ze is lìd van de CD geworden, vertelt ze uitdagend. “Als de Marokkaanse meisjes zwemles hebben, moeten alle gordijnen dicht. Als ik zwem, staan er tien Turken naar mijn tieten te loeren.” Als de vakbondsman ziet dat hun woorden geen indruk maken op Van Duijn, besluit hij hem mee te tronen naar de 'Turkentuin' bij hem achter.

Veel agressie, mompelt Van Duijn later, terwijl hij zijn aantekeningen terugleest. “De mensen hier hebben het gevoel dat ze in de frontlinie staan in het gevecht van Nederlanders tegen buitenlanders.” En dat van die positieve actie, dat zit de mensen dwars. “Nu begin ik ook te twijfelen of dat de goeie aanpak is.”

De laatste zonnestralen verwarmen de kinderen in de Barth. Drijfhoutstraat. Als uitgerangeerde treinwagons staan de huizenblokken in het stadsgroen. De kleintjes voetballen, terwijl hun puber-broers en -zusters elkaar nonchalant uitdagen. Zeker, er zijn meer 'zwarten' dan 'witten' op straat, maar ze spelen met elkaar.

    • Bas Blokker