Turkse dilemma's

Erik J. Zürcher: Turkey: a Modern History 381 blz., I.B. Tauris 1993, ƒ 112,-

Met verbijstering is in seculier Turkije gereageerd op de opmars van de fundamentalisten. De verkiezingsuitslag van afgelopen zondag betekent de doorbraak van de religieuze Welvaartspartij van Neçmettin Erbakan. Istanbul en ook Ankara, waar de regering zetelt, krijgen binnenkort een anti-westerse burgemeester. Dit ten koste van de socialisten, die een zware nederlaag leden.

De verkiezingen stonden in het teken van twee nationale problemen: de beroerde economische situatie en de bloedige strijd in het Zuidoosten tussen het leger en de Koerdische afscheidingsbeweging PKK. Steeds meer Turken, samengepakt in uitgestrekte gecekondu's rond de grote steden, weten zich afgesneden van de westerse consumptiemaatschappij die de staatstelevisie tot norm heeft verheven. Veel jongeren zijn wanhopig op zoek naar een identiteit en vluchten massaal in moslimwaarden.

De verhouding tussen 'volkse' islam en autoritaire staat is in het officieel seculiere Turkije van oudsher moeizaam. Sinds de dagen van Kemal Atatürk, die in de jaren twintig en dertig een brute politiek van verwesterlijking doorvoerde, heeft de islam beetje bij beetje terrein herwonnen. Godsdienstonderwijs op school is weer verplicht en in moskeeën klinkt de roep om terugkeer naar de seriat, de islamitische wet. Symbolen krijgen enorme betekenis. De felle commotie over het dragen van hoofddoekjes door moslimstudentes, de marsen van secularisten naar Atatürks mausoleum, ze krijgen pas reliëf in het licht van een verleden dat de islam radicaal uit het openbare leven trachtte weg te drukken.

Ook op andere gebieden is kennis van het Turkse verleden noodzaak. Bosnië-Herzegovina, de Koerden, Cyprus, de Armeniërs: wie er werkelijk iets van wil begrijpen zoekt naar de historische wortels van deze kwesties. Die gaan terug op de nadagen van het Osmaanse Rijk, dat in de Eerste Wereldoorlog ten onder ging en uit de as waarvan de huidige Turkse Republiek is verrezen. Een republiek die de laatste jaren regionaal sterk aan macht heeft gewonnen, zozeer dat ze na een tankerramp de Russen hun onbeperkte toegang tot de Bosporus wil ontzeggen.

Apologie

Boeken over de Turkse geschiedenis zijn zeldzaam. De laatste poging om de opkomst van het moderne Turkije in breed perspectief te beschrijven staat op naam van het Amerikaans-Turkse echtpaar Stanford J. en Ezel Kural Shaw. In 1977 publiceerden zij deel 2 van hun History of the Ottoman Empire and Modern Turkey, handelend over de periode 1808-1975. Dat boek is indertijd sterk bekritiseerd om zijn Turks-nationalistische inslag en is wel 'een apologie van huidige misstanden' genoemd. Dus bleef de serieuze lezer aangewezen op het klassieke The Emergence of Modern Turkey van Bernard Lewis uit 1961.

Met het verschijnen van Turkey: a modern history heeft Erik Jan Zürcher dit stilzwijgen doorbroken. Zürcher is bijzonder hoogleraar in de moderne geschiedenis van het Osmaanse Rijk en de Republiek Turkije en is verbonden aan de Universiteit van Amsterdam. Zijn boek komt bijzonder gelegen. Vooral het derde deel, A Troubled Democracy, is alleen al door het overzichtelijk gepresenteerde feitenmateriaal onontbeerlijk om het huidige politieke landschap, met partijen die per staatsgreep van naam wisselen, te doorzien.

De vergelijking met Lewis ligt voor de hand. Beide boeken beginnen met de troonbestijging van Sultan Selim III in 1789, maar waar Zürcher zelfs de Golfoorlog nog meepikt, stopt Lewis in 1950. Wat verder opvalt is dat de Amerikaan veel meer de breedte zoekt, met na een chronologisch deel thematische hoofdstukken over religie en cultuur, of elite en klasse. Zürchers aanpak is zakelijker, op het koele af. Bij de Nederlander geen citaten, anekdotes of motto's om het geheel te verlevendigen. En ook geen verwijzende noten, bij een controversieel onderwerp als de Armeense Kwestie een gemis.

Beide boeken vullen elkaar aan. Is The emergence of Modern Turkey, om met Zürcher te spreken, “een meesterlijke en elegante behandeling van het geleidelijk binnensluipen van westerse ideeën in het Osmaanse Rijk”, Turkey: a Modern History legt de nadruk op politieke en socio-economische ontwikkelingen. De kunsten laat Zürcher links liggen, naar hij zegt “bij gebrek aan competentie ze voldoende recht te doen.”

Dat is een beetje een zwaktebod. Nu komt nauwelijks tot uiting dat de vernieuwers van de Tanzimat, de periode van 1839 tot 1871 waarin voor het eerst over een grondwet werd nagedacht, midden in het culturele leven stonden. De eerste 'Jong-Turken' waren geen politici, maar dichters en schrijvers die hun inspiratie niet langer bij de Perzische klassieken zochten, maar bij Franse literatoren. Namik Kemal, die het westerse gedachtengoed met traditionele moslimwaarden hoopte te verzoenen, bracht met zijn essays, romans, toneelstukken en poëzie moslimlezers in contact met patriottisme en liberalisme. In kranten, een nieuw fenomeen, werd de publieke opinie bewerkt. Zürcher gaat aan dit alles voorbij en beperkt zich tot veranderingen in de bureaucratie en het belastingsysteem.

Voor de jaren zestig van deze eeuw geldt eenzelfde verhaal. Na het militaire ingrijpen van 1960 kwam er tot verrassing van velen een ongekend liberale grondwet uit de bus. Met als gevolg dat het culturele leven tot grote bloei kwam, wat zijn stempel drukte op de linkse beweging.

Gevoelige kwesties

In tegenstelling tot Turkse historici, die zich door de staat op de vingers gekeken weten en het wel uit hun hoofd laten tegen de heersende ideologie in te gaan, gaat Zürcher 'gevoelige' kwesties niet uit de weg. Zoals die van de Armeniërs. Die werden in 1915-16 op bevel van minister Talât van het regerende 'Committee of Union and Progress' (CUP) massaal uit Anatolië gedeporteerd. Aanleiding was de oorlog met de Russen, die bij een deel van de Armeniërs de hoop op een eigen staat deed opflakkeren.

Over de militaire noodzaak van deze volksverhuizing, het aantal slachtoffers en de vraag of vanuit Istanbul daadwerkelijk opdracht tot genocide is gegeven, lopen de Turkse en Armeense lezingen hemelsbreed uiteen. Waar collega-historici zich liever niet branden, schrijft Zürcher: “Er zijn aanwijzingen dat, terwijl de Osmaanse regering als zodanig niet bij de genocide betrokken was, een clubje ingewijden binnen het CUP onder leiding van Talât de Oosterse Kwestie wel degelijk door het uitroeien van de Armeniërs wilde 'oplossen', met relocatie als dekmantel.”

Zürcher wijst de Teskilat-i Mashusa, een groep vrijwilligers rond minister van oorlog Enver, aan als de uitvoerders van de genocide. Zijn conclusie: “De auteur is op zijn minst van mening dat er een centraal gecoördineerde politiek van uitroeiing bestond, geïnstigeerd door de CUP.”

De verkiezingen van 1950, de eerste die echt vrij waren, betekenden een keerpunt in de Turkse geschiedenis. De Kemalisten, vaak afkomstig uit de bureaucratie of het militaire apparaat, werden door de Democratische Partij van Adnan Menderes vernietigend verslagen. Een andere elite, meer met het zakenleven verbonden en afkerig van staatsingrijpen, kwam aan de macht. Aanvankelijk met succes, maar al snel begonnen de moeilijkheden: economische neergang, politieke polarisatie en uiteindelijk straatterreur.

Driemaal greep het leger in. Maar steeds wisten de oude policiti terug te keren. Neçmettin Erbakan van de Welvaartspartij had vijfentwintig jaar geleden zijn Partij van Nationale Orde. Ook de ultra-nationalistische kolonel Alpaslan Türkes, berucht om zijn jeugdbeweging 'Grijze Wolven', en socialistenleider Erdal Inüon (zondag de grote verliezer) hebben de nodige politieke levens achter de rug. Zürcher volgt hun bewegingen op de voet, al had de kwestie Cyprus meer aandacht verdiend.

Ten slotte de Koerden. Tijdens de onafhankelijksoorlog hadden die aan de zijde van Atatürk tegen de Russen en de Armeniërs gevochten, om vervolgens ieder streven naar autonomie 'beloond' te zien met repressie en deportatie. Oplossing van het Koerdenvraagstuk is volgens Zürcher van groot belang, wil Turkije zijn economische en politieke machtspositie in de regio verder uitbouwen. “Voor een oplossing zijn moedige stappen nodig,” schrijft de hoogleraar, “niet in de richting van een zelfstandige Koerdische staat - die zware repercussies zou hebben voor de miljoenen Koerden in Turkijes grote steden - maar in de richting van werkelijk bi-nationalisme. Turkije zal een twee-natie staat moeten worden, met het Koerdisch als tweede taal in media, onderwijs en regeringsapparaat. Het Zuidoosten moet vergaand autonomie krijgen, met Koerden die Koerden besturen. Het alternatief: een bloedige guerrilla-oorlog in het Zuidoosten, waarschijnlijk gekoppeld met stadsguerrilla in het westen, die zich jaren zal voortslepen.”

Premier Tansu Çiller, die afgelopen zondag haar positie verstevigde, zal er niet blij mee zijn. 'Een stem op mij is een kogel voor de PKK', met die leus ging haar Partij van het Juiste Pad de verkiezingen in.

    • Dirk van Delft