Smalle Haagse marges

Af en toe lijkt het alsof het economisch welzijn van Nederland wordt bepaald in Den Haag. Maar in werkelijkheid is de economische invloed van de Haagse besluitvorming miniem vergeleken met die van de wereldhandel en het aanpassingsvermogen van het Nederlandse bedrijfsleven.

Voor de Nederlandse uitvoer was 1993 een uitermate slecht jaar. In de naoorlogse periode waren alleen 1975 en 1977 slechtere jaren. De verklaring moet worden gezocht in een inzakkende wereldhandel (-1,8 procent na toenames met 4,4 en 4,3 procent in respectievelijk 1991 en 1992) en een verslechterde concurrentiepositie. Gemeten in guldens verslechterde de concurrentiepositie in zowel 1992 als 1993 sterk. De loonkosten per eenheid produkt stegen in Nederland met respectievelijk 4,6 en 1,5 procent, terwijl die van de concurrenten met stijgingen van 1,3 en 0,4 procent daar dik bij achterbleven.

Voor 1994 en '95 voorziet het Centraal Planbureau een verbetering. De relevante wereldhandel trekt aan met 3,5 procent dit jaar en 5,75 procent volgend jaar en dat vertaalt zich rechtstreeks in de economische groei van Nederland, die dit jaar 1 procent bedraagt en volgend jaar zelfs aantrekt tot 2,5 procent. De wereldhandel is echter een ongewisse factor. Mocht het cijfer onverhoopt tegenvallen, dan blijft ook de economische groei achter. In het verleden zat het CPB er wat dat betreft vaker naast.

Een factor die we wel aardig zelf in de hand hebben is de concurrentiepositie. Voor 1994 en 1995 voorziet het CPB een versterking van de Nederlandse concurrentiekracht. De loonkosten per eenheid produkt dalen hier dan met respectievelijk 1,5 en 2,75 procent, terwijl ze bij de concurrenten (in guldens) gemiddeld genomen toenemen met 1 en 0,5 procent. In 1995 blijven de Nederlandse loonkosten bij voorbeeld 5 procent achter bij die in de VS, 2,5 procent bij die in Duitsland en 0,75 procent bij die in Japan. De Nederlandse industrie, zo merkt het CPB in het deze week verschenen Centraal Economisch Plan op, heeft herstructureringen in gang gezet, die in samenhang met het conjunctuurherstel dit jaar al tot een aanzienlijke toename van de arbeidsproduktiviteit (produktie per werknemer) zullen leiden. Hoewel de prijzen van ingevoerde grondstoffen en halffabrikaten met ruim 3 procent zullen stijgen, is de ontwikkeling van de loonkosten zo gunstig dat de kostprijstoename beperkt blijft tot 1,5 procent. De door politici en opiniemakers vaak verguisde en gekleineerde Nederlandse vakbeweging verdient hier een pluim. De matigingsbereidheid (vooral in relatie tot de vakbeweging in het concurrerende buitenland) legt de Nederlandse economie heel wat minder windeieren dan alle tot drie cijfers achter de komma bediscussieerde overheidsmaatregelen bij elkaar.

In feite wordt dezelfde truc toegepast als in de jaren tachtig, toen de Nederlandse economie er ook niet florissant voorstond. In zeven van de tien jaren bleef de toename ven de loonkosten per eenheid produkt toen achter bij die van het buitenland. In 1981 bij voorbeeld - een jaar voordat Lubbers met zijn karwei begon - stegen de loonkosten per eenheid produkt in de verwerkende industrie in de met Nederland concurrerende landen met 14,9 procent, tegen een magere 1 procent hier.

Anders dan in de succesvolle jaren tachtig treden er nu ook verschuivingen op in het patroon van de Nederlandse uitvoer. Van de Nederlandse uitvoerwaarde ging in 1992 drie-kwart naar de landen van de Europese Unie. Wat dat betreft is Europa nog steeds ons belangrijkste afzetgebied. Toch waren er vorig jaar opvallende trendbreuken. De uitvoer naar Duitsland, België, Frankrijk en Italië zat flink in de min. Oost-Europa heeft in de totale Nederlandse export nog maar een aandeel van 2 procent, maar de uitvoer daar naartoe steeg met een markante 47 procent. Naar de VS (aandeel 4 procent) werd, mede als gevolg van een hogere dollarkoers, 25 procent meer geëxporteerd en naar Zuidoost-Azië (aandeel 3 procent) steeg de uitvoer een indrukwekkende 22 procent. Nederlandse ondernemers hebben kennelijk de stoute schoenen aangetrokken en hebben het accent verlegd naar verder weg gelegen (groei)markten. Dat is een goede zaak, omdat de Nederlandse economie daardoor minder afhankelijk wordt van het economisch beleid in de ons omringende landen. Onze economie wordt er wat minder kwetsbaar door. Daarvan profiteert de politiek dan weer.