Quantumland

Robert Gilmore: Alice in Quantumland. An Allegory of Quantum Physics

207 blz., geïll., Sigma Press 1994, ƒ 41,25

In 1965 publiceerde de theoretisch natuurkundige George Gamov Mr. Tompkins in Paperback, een serie deels al eerder verschenen verhalen over een oerdegelijke Engelse bankbediende. Deze beleefde in zijn dromen allerlei avonturen, die steeds geïnspireerd waren door de 'moderne' natuurkunde van die dagen, waarover hij wekelijks aan de plaatselijke universiteit lezingen bijwoonde. Het knappe van Gamovs boekje was dat heel ingewikkelde theorieën als de quantummechanica en de relativiteitstheorie op een aardige wijze aanschouwelijk werden gemaakt door de veelal zeer bevreemdende consequenties ervan te vertalen naar de wereld van alledag. Mr. Tompkins bleek ongekend populair en beleefde bijna elk jaar een nieuwe druk. Toch was er langzamerhand behoefte gerezen aan een meer actuele versie. Het onlangs verschenen Alice in Quantumland, van de tot nog toe onbekende Engelse auteur Robert Gilmore, is een goede poging om in de gerezen lacune te voorzien.

Het is echter niet gemakkelijk in de voetsporen te moeten treden van de in 1968 overleden Gamov, die een begenadigd popularisator was en daarnaast beschikte over een groot gevoel voor humor. Zo ontwikkelde hij ooit samen met zijn student Ralph Alpher een kosmologische theorie over de Big Bang, waarna hij aan het uiteindelijke artikel de naam van zijn vriend Hans Bethe toevoegde, opdat de theorie bekend zou worden als de Alpher-Bethe-Gamov-theorie, naar de eerste drie letters van het Griekse alfabet. Ook de Mr. Tompkins verhalen getuigen van Gamovs grenzeloos plezier in de natuurkunde en vooral van zijn onuitputtelijke fantasie. Daarmee vergeleken lijkt Gilmores keuze voor Lewis Carrolls Alice wat afgezaagd. Zij geniet immers onder natuurwetenschappers al jaren een enorme populariteit en wordt keer op keer van stal gehaald om wetenschappelijke theorieën te illustreren. Jammer genoeg is de figuur van Alice bij Gilmore bovendien ook niet méér dan de vertegenwoordiger van de lezer in de rare wereld van de quantummechanica en blijft de overeenkomst met het werk van Carroll beperkt tot een aantal voor de hand liggende parallellen. Zo duikt Schrödingers kat op als een moderne uitvoering van de Chesire kat om weer even plotseling te verdwijnen “...omdat ik ergens anders geobserveerd ben”, en zouden de quarks die Alice in het proton ontmoet kunnen worden gezien als de drieling-versie van Tweedledum en Tweedledee.

Er valt in Quantumland desondanks meer dan genoeg te beleven èn te leren. Zo is Alice de ene keer een ronduit verbijsterd waarnemer, die de uitleg van haar begeleiders maar moeilijk kan bevatten. Even later maakt ze ook zelf actief deel uit van de vreemde verschijnselen, wanneer ze haar anti-materie zusje ontmoet of door een passerend foton een verdieping hoger over een balustrade wordt getild. Gilmore slaagt er steeds uitstekend in om ingewikkelde concepten als virtuele deeltjes (die hun energie-hypotheek komen afsluiten bij de Heisenberg bank) en het Einstein-PodolskyRosen-experiment duidelijk en overzichtelijk uiteen te zetten. Maar ook iets meer praktisch als het principe van de laser wordt door middel van onverwachte beelden glashelder uitgelegd. Verder komen ook zij die al wat meer zijn ingewijd in de raadselen der quantummechanica volop aan hun trekken, omdat het boek vol staat met woordgrappen en verkapte verwijzingen naar beroemde fysici. Hoewel Alice in Quantumland dus niet de échte opvolger genoemd kan worden van de illustere Mr Tompkins, heeft het voldoende te bieden en zal het zich daarom ongetwijfeld een prominente plaats weten te verschaffen in de lange rij populair-wetenschappelijke boeken die de laatste jaren het licht hebben gezien.