Plat

Sommige egeltjes leven naast de snelweg of op een bedrijfsterrein of in een woonwijk. Die lopen ongekende risico's.

Er zijn ook egeltjes die middenin de polder leven, ver van alle rumoer. Die hebben zeeën van ruimte om zich heen. Die kunnen lekker op hun rug in de zon gaan liggen. Die kunnen rennen en stoeien wat ze maar willen. Zulke egeltjes hebben geluk.

Dwars door de polder loopt een geasfalteerd paadje en dat paadje trekt mensen aan, maar mensen met wie een egeltje wel uit de voeten kan; dat zijn wandelaars die het juist leuk vinden om een egeltje tegen te komen, of fietsers die zich in elk geval om hun banden zullen bekommeren.

Goed, er komt eens een hond aan je staan snuffelen. Dan rol je je op. Je bergt je in je eigen borst en verdiept je in de gedachten die je daar aantreft. Nog steeds niets aan de hand.

Soms komt er een auto over dat paadje. Hooguit eens in de twee weken, één auto. De muskusrattenvanger of de opzichter van het recreatieschap. Dat gaat altijd langzaamaan, al is het alleen al met oog op de schokdempers. En die mannen zullen heus niet opzettelijk een egeltje doodrijden.

Maar je moet natuurlijk niet op hun weg komen als ze net een shagje opsteken of met een cassettebandje zitten te rommelen, en je moet zeker niet onder zo'n auto kruipen als hij net een tijdje stilstaat.

Ook als hij geluk heeft kan een egeltje pech hebben.

    • Koos van Zomeren