Oude muziek

Wenneke Savenije laat in haar reactie (NRC Handelsblad, 26 maart) op mijn kritiek (NRC Handelsblad, 24 maart) duidelijk zien hoe terecht mijn kritiek is.

Zij verwijt mij voorbij te gaan aan de progressieve ontwikkeling van de muziek; een merkwaardig verwijt want juist door die ontwikkeling is het door mij benadrukte onderscheid tussen barokorkest en modern symfonieorkest ontstaan. Ik doel dan niet op de door Savenije genoemde verfijningen in de baroktijd, maar de door haar niet genoemde ontwikkeling daarnà. Die was in de decennia rond 1800 zo revolutionair dat het grootste deel van de barokinstrumenten werd afgedankt en de rest alleen na ingrijpende wijziging werd gehandhaafd. Dat laatste betrof met name de strijkinstrumenten; zo gingen gelukkig de verfijnde barokinstrumenten van Amati en Stradivarius niet geheel en al verloren. Het feit dat Stradivarius' instrumenten nog steeds gelden als absolute toppers, alle ontwikkelingen na zijn dood (1737) ten spijt, geeft duidelijk aan dat ontwikkeling nog geen vooruitgang betekent. Het moderne symfonieorkest is dan ook niet een verbeterd barokorkest, maar een fundamenteel veranderd orkest, bestaande uit andere instrumenten en daardoor per definitie van andere aard. Het betekent dat beide orkesten verschillende 'instrumenten' zijn, en zoals men van een piano niet mag verlangen dat hij klinkt als een viool mag men van het moderne orkest niet verlangen dat het klinkt als een barokorkest, en omgekeerd; dan zou men verkeerde normen gebruiken. Savenije diskwalificeert ook de bij barokmusici bestaande behoefte verder te kijken dan de noten alleen. Het gaat barokmusici niet om regels en reconstructie op zich, maar om respect voor wat componisten hebben geschreven, en dat is een onmisbare basis voor elke goede uitvoering. Daar bovenop komt de interpretatie om het werk tot leven te brengen, tot muziek te maken. De geslaagde combinatie van beide leidde tot het succes dat 'de oude muziek' thans heeft.

    • Drs. A. H. Idema
    • Bergen NH