Opvoeding

Jannet van der Hoek: Socialisatie in migrantengezinnen

114 blz., De Tijdstroom 1994, ƒ 29,00

Iedereen had het kunnen zien aankomen, maar niemand was er op voorbereid. Vanaf de jaren zeventig stroomden grote groepen Surinaamse, Turkse, Marokkaanse en Antilliaanse kinderen het basisonderwijs binnen. Leerkrachten wisten niet hoe ze aan anderstalige leerlingen Nederlands moesten leren en over de culturele achtergrond van de kinderen vormden zich snel een aantal hardnekkige standaardopvattingen. Het begrip allochtoon werd in schoolse kringen het equivalent voor onderwijsachterstand. Niet alleen in het dagelijkse taalgebruik, maar ook in financiële regelingen. Want of je nu het kind was van een uit Marokko afkomstige analfabeet of van de Turkse ambassadeur, de school kreeg van overheidswege dezelfde faciliteiten om de leerachterstand weg te werken. Het in 1992 verschenen rapport Ceders in de tuin van oud-minister Van Kemenade maakte een eind aan de vanzelfsprekendheid dat alle leerlingen van buitenlandse komaf recht op extra hulp hebben. Alleen kinderen van de laagstopgeleide ouders zouden er nog voor in aanmerking komen. Het criterium van etniciteit werd zelfs helemaal verlaten want dat zou slechts voor een klein deel de verschillen in onderwijsprestaties kunnen verklaren. De slinger lijkt nu weer naar de andere kant doorgeslagen te zijn. In een tijd dat er van allochtonen meer dan ooit verwacht wordt dat ze zich onderwerpen aan de Hollandse spruitjesmentaliteit, is het boek Socialisatie in migrantengezinnen van antropologe Jannet van der Hoek een verademing. Op grond van bestaand onderzoek pluist Van der Hoek uit hoe in Turkse, Marokkaanse, Antilliaanse, Creoolse en Hindoestaanse gezinnen gedacht wordt over opvoeding en onderwijs. Dat levert een gevarieerd en bewegelijk beeld op. Niet alleen omdat de populaties onderling sterk in hun opvoedingsidealen verschillen, maar ook omdat Van der Hoek laat zien dat factoren als migrantie en integratie op zich weer verschuivingen in die denkbeelden veroorzaken. Hoe ouders met hun kinderen omgaan en welke toekomst ze bijvoorbeeld voor de meisjes in gedachten hebben is een overgeleverd en ingesleten patroon, misschien is het wel de kern van de culturele identiteit. Het is daarom kortzichtig en dom om te denken dat opvoeders omwille van de aanpassing zomaar het roer om kunnen gooien. De kritiek van Van der Hoek op het gangbare onderzoek is dat het de opvoedings- en onderwijsidealen van allochtone ouders niet in hun eigen termen beschrijft, maar vanuit een beperkt westers, zelfs Nederlands perspectief. Sleutelbegrippen als zelfstandigheid, intelligentie, gehoorzaamheid en volwassenheid worden vrijwel gedachteloos als vaststaande sjablonen op het gedrag van deze groepen gelegd. Onderwijsresultaten van allochtone leerlingen worden altijd afgezet tegen de prestaties van de gemiddelde Nederlandse leerling. Dan wordt wel eens over het hoofd gezien dat de dochter van een analfabete Berbermoeder een onderwijssprong maakt die onvergelijkelijk is met die van haar Nederlandse klasgenootje.

Het contact tussen de school en de migrantenouders is vaak een bron van misverstanden, vooroordelen en verwijten. Zo vinden veel Turkse ouders dat het regime op de basisschool te slap is. Er wordt teveel gespeeld en er heerst geen discipline. Ze maken zich zorgen over het prestatieniveau van hun kind, maar de leerkracht stelt ze gerust. Als het in de achtste groep doorverwezen wordt naar het laagste schooltype is de ontgoocheling bij de ouders groot. Precies wat ze dachten: te veel gespeeld, te weinig geleerd. Migrantenkinderen krijgen een ingewikkelde en vaak verwarrende boodschap mee: enerzijds moeten ze het onderwijs uitbuiten en hoge diploma's halen, anderzijds mogen ze niet alle normen en waarden overnemen die in het onderwijs verborgen zitten. Creoolse ouders zijn bang dat de bevordering van zelfstandigheid tot egoïsme leidt, Turkse en Marokkaanse ouders associëren zelfstandigheid veeleer met geld verdienen dan met het op eigen kracht oplossen van problemen. Leerkrachten blijken zich maar mondjesmaat te verdiepen in gezinscultuur van de migrantenleerlingen. Ouders die traditioneel gekleed gaan worden door hen als streng religieus getypeerd en dùs niet betrokken bij de school. De leerachterstand wordt makkelijker geweten aan de situatie in het gezin dan aan de kwaliteit van hun eigen onderwijs. Hoewel het onderzoeksmateriaal waarop Van der Hoek zich baseert in vele opzichten beperkt is, graaft ze diep. Ze maakt een intelligente afweging tussen culturele bijzonderheden en algemene gedragingen. Nergens vervalt ze in platvloerse typeringen. Het boek zou verplichte kost moeten zijn voor elke Pabo-student en voor iedere leerkracht die voor een gekleurde klas staat. Dat zou de communicatie tussen de school en de migrantenouders ten goede kunnen komen.