Oom agent bestaat nog als tv-held

Als ik ooit nog eens verhoord moet worden door een Nederlandse politieman, dan graag door Martin van Teijlingen van het Rotterdamse politiebureau Marconiplein. Martin kunnen we elke dinsdagavond in actie zien in de documentaire-serie 'Surveillance' van de NCRV. Hij is die lange, nogal kalende man die zijn slachtoffers zó zachtaardig de duimschroeven aanzet, dat ze schreiend van boetvaardigheid de verschrikkelijkste dingen over zichzelf beginnen te vertellen.

Als je tegenover Martin zit, vergaat je elke lust om nog langer te draaien en te liegen. Er maakt zich een geheimzinnig verlangen van je meester om naar de bodem van je ziel af te dalen. Je beseft: alle rotzooi moet eruit, en dit is het moment. Je weet ook dat je hier al die jaren heimelijk op hebt gehoopt: op die ene begrijpende mens die je met zijn grote, melancholieke herte-ogen aankijkt en die je nooit meer in de steek zal laten.

Maar bekennen tegenover Martin doe je niet alleen voor jezelf, je doet het ook en vooral voor hem. Het is Martin aan te zien dat hij geen gemakkelijke jeugd heeft gehad. Als ik een gooi mag doen: zijn vader wilde dat hij zijn slagerij op den duur zou overnemen, maar Martin gruwde van de stank van pens en darmen en hij droomde altijd maar van één beroep: brigadier. Later, op de politieacademie, werd Martin nogal gepest. Ze vonden hem een beetje een softie, meer iemand voor de jeugdpolitie dan voor de zware criminaliteit. Als Martin dat hoorde, beet hij vastberaden op zijn lippen terwijl hij dacht: 'Wacht maar!'

Inmiddels heeft hij het tot rechercheur geschopt. Dat betekent in Nederland dat de kans groot is dat je mag meespelen in een van de vele weken durende documentaire-series over de politie, zoals 'Surveillance' en 'Balistraat'. In de eerste aflevering van 'Surveillance' zei Martin: “Ik ben er misschien te gevoelig voor, ik vraag me wel eens af of ik hiervoor geschikt ben.” Ik kan hem bij deze geruststellen: hij is er zéér geschikt voor.

Zo konden we hem onlangs een briljant verhoor zien afnemen van een man die verdacht werd van een steekpartij. De man ontkende aanvankelijk, maar begon geleidelijk te zwichten voor Martins vaderlijke beroep op hem.

“Fijn dat je huilt”, zei Martin, “je bent geen koelbloedige moordenaar. Zo is het toch, George? Wees eerlijk voor jezelf en leg verantwoording af. Ik weet zeker dat je dit zelf niet wilde. Vertel het ons eerlijk!”

“Ik weet het niet zeker”, mompelde de verdachte.

“Je hebt hem neergeschoten, George. Kijk me eens aan. Doe het, George!”

“Ik heb 'm gestoken.”

“Is er iets menselijkers in de wereld”, riep Martin opgetogen uit. “Ik ben zo blij dat je dat zegt, dat je eerlijk bent.”

Even later stond Martin op de gang wat na te praten met de tv-interviewer. “Je moet 'm door laten praten”, zei Martin achteloos, “zodat hij de consequenties niet beseft van wat hij zegt.”

Wie durft nu nog te beweren dat de doorsnee Nederlandse politieman niet voor zijn taak berekend is? Ook de drie andere collega's van Martin die in 'Surveillance' geportretteerd worden, maken zo'n bijna akelig competente indruk. Aardige, humane mensen die op een fiere manier worstelen met de dilemma's van hun vak. In deze, voor onze politie toch zo neerdrukkende tijden is het goed dat er Nederlandse televisie is. Het zou ondermijnend zijn voor de nationale moraal als het imago van de politie louter bepaald werd door hoofdcommissarissen die elkaar van de trap proberen te duwen en door dienders die heimwee hebben naar het bestaan van coke-dealer.

Toch knaagt er iets aan mij als ik naar documentaires als 'Surveillance' en 'Balistraat' zit te kijken. Ze zijn goed gemaakt, je merkt dat de makers zich met veel inlevingsvermogen op hun onderwerp hebben gestort. Het is de journalistiek-van-de-straat, waar ik een groot voorstander van ben en die door de schrijvende pers nogal verwaarloosd wordt. Maar ik blijf met de vraag zitten in hoeverre het geschetste beeld van deze politiebureaus representatief is. Het oogt allemaal net iets té goedig, menselijk en bekwaam.

De keren dat ik zelf bij de politie een kijkje achter de schermen kon nemen, stond ik perplex van de reactionaire taal die ik hoorde, van het chagrijn en het gekanker op het werk, van het gebrek aan efficiency ook. Ik wil niet beweren dat die elementen wèl representatief zijn, ik vrees alleen dat ze ondervertegenwoordigd zijn in 'Surveillance' en 'Balistraat'.

Laten we wel wezen: er is nogal wat aan de hand met de Nederlandse politie. Er lijkt momenteel in alle echelons chaos te heersen. Daarvan hebben we in 'Surveillance' en 'Balistraat' maar een glimp kunnen opvangen. In de laatste aflevering van 'Surveillance' zagen we een ontmoedigde adjundant armenvol dossiers met roofovervallen in een bak 'uitstel' gooien. Maar de makers borduurden niet door op dit thema dat het leidmotief van hun documentaire zou kunnen zijn. Misschien gebeurt dat nog - 'Surveillance' heeft nog drie afleveringen voor de boeg - maar bij 'Balistraat' heb ik er in ieder geval tevergeefs op gewacht.

Ook Martin van Teijlingen hoorde ik even bedroefd zeggen: “Niemand weet wat hij moet doen.” Als zelfs Martin het kopje laat hangen, is er werkelijk iets mis met de Nederlandse politie.

    • Frits Abrahams