Ongelukkig man in volmaakte omgeving

A.L. Rowse is een klagerig geleerde uit Oxford, die zeer met zichzelf te doen heeft omdat het professoraat, een zetel in het parlement en koninklijke onderscheidingen aan hem voorbijgingen, maar zijn verbittering daarover wordt verzacht door een goed verkocht oeuvre dat hem grote welstand heeft bezorgd.

A.L. Rowse: All Souls in my time 214 blz., Duckworth 1993, ƒ 53,25

De historicus A.L. Rowse is de schrijver van een van de merkwaardigste boeken die ik ken: All Souls and Appeasement. Het merkwaardige zit hem om te beginnen al in de titel. Een onschuldige lezer zal misschien denken dat het om een verhandeling over Allerzielen en Grote Verzoendag gaat. Een verstrooide boekhandelaar zal het boek wellicht plaatsen in de afdeling Russische literatuur, in de veronderstelling dat het een vergelijkende studie over Gogol en Tolstoj betreft. Beiden zouden ongelijk hebben. Het boek gaat over een college in Oxford, All Souls geheten, en de 'appeasement'-politiek van de Britse regering.

Dat maakt de zaak er overigens nog niet direct begrijpelijker op, want wat heeft een universitair 'college' nu te maken met de Engelse buitenlandse politiek uit de jaren dertig die er op was gericht de vrede te bewaren door Hitler zijn zin te geven? Het antwoord op die vraag is simpel: All Souls is geen gewoon 'college'. Het is om verschillende redenen een bijzonder 'college'. Van die verschillende redenen is er één hier van belang, namelijk het feit dat All Souls twee typen 'fellows' kent, de gewone, professoren, onderzoekers en dergelijken, die men ook in andere 'colleges' vindt, en de ongewone.

Om die laatsten gaat het in dit verhaal. Deze categorie omvat personen met gewichtige functies in staat en maatschappij: ministers, hoge ambtenaren, koloniale bestuurders, rechters, generaals, een enkele bisschop of aartsbisschop (van de anglicaanse kerk wel te verstaan en niet van de katholieke, want All Souls is nauw verweven met het Engelse 'establishment'). Onder de prominente 'Londoners', zoals deze 'weekend fellows' worden genoemd, uit de jaren dertig waren een aantal kopstukken uit de Engelse politiek. Sir John (later Lord) Simon en Lord Halifax bijvoorbeeld maar ook de zeer invloedrijke hoofdredacteur van The Times, Geoffrey Dawson. The Times werd daarom wel het parochieblad van All Souls genoemd.

Simon en Halifax, die beiden minister van buitenlandse zaken zijn geweest, maar vooral ook Dawson, waren typische exponenten van de 'appeasement'-politiek. Halifax volgde Anthony Eden in 1938 op Buitenlandse Zaken op, nadat deze was afgetreden wegens de akkoorden van München. Vandaar dat All Souls de naam had een bolwerk van 'appeasement' te zijn. Maar er waren ook 'fellows' met heel andere opvattingen, onder wie Rowse zelf een niet erg prominente maar wel zeer uitgesproken positie innam. Bekender en invloedrijker was natuurlijk de fel anti-Duitse Leopold Amery, een prominent minister van de Conservatieve partij. Rowse schreef zijn boek in 1961 om aan die andere kant van All Souls aandacht te geven en de naam van zijn 'college' te zuiveren.

Onlangs schreef hij weer een boek over All Souls, maar ditmaal een heel ander boek. Dit boek bevat zijn herinneringen aan de vele jaren die hij in dit 'college' heeft doorgebracht. Rowse, die in 1903 geboren is, kwam in 1925 in All Souls aan als 'prize fellow', de hoogste distinctie die er is. Deze prijsdieren, van wie er slechts één, twee of drie per jaar worden aangenomen, komen van de andere 'colleges' van Oxford en worden via een zeer zware selectie-procedure uitgekozen. Deze bestaat uit een reeks examens, met uiteraard veel 'essay writing', en de ultieme beproeving, in iedere betekenis van het woord: het kennismakingsdiner met de 'fellows'.

Rowse is begrijpelijkerwijs zeer onder de indruk van het feit dat hij zelf zo'n 'prize fellow' was, zozeer zelfs dat hij achterin zijn boek als enige bijlage een lijst heeft opgenomen van de sinds 1925 geselecteerden en in de tekst niet alleen vaak uitvoerig vertelt wie wel, maar ook wie niet werden uitverkoren. Zoals zo vaak is de laatste lijst, met namen als Aldous Huxley, T.S. Eliot, Michael Howard en anderen, interessanter dan de eerste.

De prestatie van Rowse was ongetwijfeld uitzonderlijk, want - zoals hij niet nalaat te vermelden - hij had alles tegen. Hij kwam uit een eenvoudige, door hem zelf proletarisch genoemde, familie uit Cornwall, ging derhalve niet naar een 'public school' (bron van eeuwigdurende frustratie), won de enige toen bestaande studiebeurs van zijn 'county' en werd toegelaten tot Christ Church, een van de deftigste en rijkste 'colleges' van Oxford. Hij versloeg de 'public school boys' bij de examens voor All Souls en overleefde zelfs het diner, hoewel hij geen idee had wat hij met al die vorken en messen aan moest en hij zijn hele leven niet van wijn en port, die beide vluchtige grondslagen van 'college life', heeft gehouden. Hij zou er nooit meer weggaan tot hij er op zijn zeventigste werd uitgezet als gevolg van het besluit een leeftijdsgrens voor 'fellows' in te stellen, een van de vele moderne ontwikkelingen die Rowse betreurt.

All Souls is niet alleen anders dan de andere 'colleges' vanwege de 'London fellows' en de 'prize fellows', maar ook nog om een andere reden. Het is namelijk het enige 'college' zonder studenten, althans zonder gewone studenten, of om het in het Engels te zeggen zonder 'undergraduates'. Dat is natuurlijk vreemd, want de raison d'être van een 'college' is nu juist dat het een leefgemeenschap is van docenten en studenten, welke laatsten een zeer intensieve begeleiding krijgen van de eersten, zoals zij ook van de andere geneugten van het leven op een 'college' kunnen genieten: huisvesting in eeuwenoude gebouwen met een arctisch klimaat en spartaanse inrichting, kerkdienst en koorzang, alsmede strenge morele leiding en toezicht, althans vroeger, want er is, zoals Rowse zegt, veel veranderd.

All Souls echter heeft geen studenten. Het is een relatief klein 'college' waarin, afgezien van de 'London fellows', uitsluitend 'dons' werken (en wonen, althans voor zover ze vrijgezel zijn en velen plachten dat te zijn). Deze 'dons' zijn dus eigenlijk geen docenten want hun enige taak is onderzoek te doen, al hebben de meesten hunner er een baan aan de universiteit bij, sommigen als professor, anderen als tutor voor andere 'colleges'. Zo verdiende ook Rowse, vóór hij een succesvol auteur werd, zijn geld als tutor en dat was nodig ook, want al zijn de materiële voordelen van het 'college'-bestaan groot, een vetpot is het niet.

Uiteraard vindt deze eigenaardigheid van All Souls, zoals alle eigenaardigheden van alle 'colleges', haar verklaring in het verleden en uiteraard is zij vaak voorwerp geweest van kritiek, vooral in de roerige jaren zestig waarin alles woelde om verandering en de legendarische rijkdom van All Souls (geen mythe, wel een tamelijk recent verschijnsel), zoals alle ongelijkheden, voorwerp werd van jaloezie en kritiek. De bijdrage van All Souls aan het zo vurig beleden streven naar 'spreiding van kennis, inkomen en macht' bleef echter bepaald zeer gering. Studenten kwamen er niet. Wel kwamen er 'visiting fellows', waardoor All Souls een soort Institute for Advanced Study werd, zoals we er thans wel meer kennen. Rowse is niet erg enthousiast over deze ontwikkeling en klaagt over 'visiting fellows' die zich vergrijpen aan de 'college'-port, maar hij vindt dat duidelijk minder erg dan het oorspronkelijke plan om studenten op te nemen.

Rowse ziet in de meeste veranderingen een verlaging van normen. Zijn eigen normen zijn dan ook hoog. Hij komt uit dit boek naar voren als een man die hard werken tot levenswijze heeft gekozen. Slechts af en toe lezen we over het resultaat daarvan. Hij schreef een aantal belangwekkende boeken over Tudor England, ontwikkelde een nogal omstreden theorie over de sonnetten van Shakespeare en de identiteit van de 'Dark Lady' en schreef daarnaast literair werk waar hij kennelijk zelf zeer aan gehecht is. Zo vinden we achterin het boek enkele gedichten die de charmes van het leven in All Souls beschrijven of althans oproepen, waaronder een lang vers over dit onderwerp, geschreven op Allerzielen tijdens een eenzame reis in Wyoming. Al met al is het een oeuvre dat er zijn mag, vooral als men het vergelijkt met dat van vele andere 'fellows', zoals Rowse graag doet. De opmerking, 'he wrote nothing', komt zo vaak terug dat men de indruk krijgt dat dit wel een kenmerk van de ware, althans de succesvolle, All Souls 'fellow' moet zijn.

Rowse beschrijft zichzelf als een man die alles tegen had, niet alleen qua sociale achtergrond, maar ook wat zijn gezondheid betreft. Hij leed, als ik het goed begrijp, aan een of andere aandoening aan de twaalfvingerige darm, ging daaraan bijna dood en verbleef zo vaak in ziekenhuizen dat men deze thans meer dan negentigjarige als een frappante illustratie van het spreekwoord 'krakende wagens lopen het langst' kan beschouwen.

Dan waren er zijn homoseksualiteit (overigens eerder regel dan uitzondering in All Souls), zijn eenzaamheid en zijn vele mislukkingen en vernederingen. Vooral die laatste steken hem kennelijk nog steeds. Zo werd hij uitgenodigd te solliciteren naar een post in zijn oude 'college', Christ Church, maar afgewezen. Hij deed het goed bij een tussentijdse verkiezing voor het parlement, maar kreeg geen kans bij de volgende algemene verkiezing. De jongeren die hij zelf uitkoos voor verkiezing tot 'fellow' keerden zich later tegen hem. Hij raakte verstrikt in de strijd om de positie van 'warden' (hoofd) van het 'college', maar verloor deze van John Sparrow. Hij raakte steeds meer vereenzaamd en werd er ten slotte, naar zijn gevoel, uitgezet.

Zijn strijd met Sparrow om de opvolging van 'warden' Sumner (B.H. Sumner, de historicus) wordt aardig beschreven al valt het verhaal qua intriges en vileiniteit enigszins tegen voor degenen die C.P. Snows roman The Masters over hetzelfde onderwerp kennen. Maar dat boek speelt dan ook in Cambridge en daar heerst een sterker intellectueel klimaat. Uit alles blijkt dat Rowse een verbitterd man is, wat voor de lezer prettig is want die verbittering inspireert hem tot aardige uitspraken. Zo noteert hij over de antropoloog Radcliffie-Brown: “We were less impressed by him than he was”. Ook zijn bête noire, John Simon wordt raak getypeerd als een man die graag joviaal deed, met name door mensen bij hun voornaam te noemen, maar dan vaak de verkeerde. Nog beter is die over Simons tweede vrouw, “who, being Irish, became an alcoholic”. Zo is er meer, al bevat het boek over een werk van deze aard en over zo'n dankbaar onderwerp relatief weinig anekdotes en cracks. Rowse is een ernstig man.

Er zijn dus heel wat tegenslagen en teleurstellingen te vermelden, maar de lezer vraagt zich op een gegeven moment toch af of er nu eigenlijk wel reden is voor zoveel verbittering. Rowse, het is waar, werd nooit parlementslid, nooit professor, nooit 'Warden' en verscheen nooit op de Queen's Honours List. Velen van zijn collegae werden dat wel. Hij heeft dus zeker reden om teleurgesteld te zijn, maar je kan het ook anders zien en denken, dat die ziekelijke jongen uit Cornwall toch maar mooi negentig is geworden en geëindigd als een succesvol en goed verkocht auteur en als gevolg daarvan ook nog als een welgesteld man. Het is maar hoe je het bekijkt.

Rowse ziet het kennelijk anders. Hij heeft veel aandacht voor zijn afwijzingen en mislukkingen, zijn 'humiliations' zoals hij ze noemt, en verwijst vaak naar zijn minderwaardigheidscomplex, vooral ten opzichte van de 'public school boys'. Zijn politieke opvattingen zijn zeker mede door deze achtergrond bepaald. Hij begon als een man van links - was onder andere kandidaat voor Labour in Cornwall - maar keerde zich daar later van af: een begrijpelijke zij het niet erg verrassende ontwikkeling.

In de buitenlandse politiek was hij een fervent 'anti-appeaser'. Overigens werd hij wegens zijn ziekte afgekeurd voor militaire dienst en had hij dus niet wat men in Engeland zo aardig 'a good war' noemt. Misschien verklaart dit de opmerkelijke haat tegen de Duitsers die het hele boek kleurt. Zo spreekt Rowse bijvoorbeeld nimmer van de Eerste of Tweede Wereldoorlog, maar uitsluitend over 'the First of 'the Second German War'. Hij betrekt in zijn afkeer niet alleen Hitler, maar ook diens voorgangers, inclusief Bismarck, de bron van alle ellende, en zelfs zijn opvolgers, al lijkt hij enigszins een uitzondering te willen maken voor Adenauer met zijn 'sly old monkey-face', omdat deze als Rijnlander anti-Bismarck was. Er zit meer A.J.P. Taylor in Rowse dan hij zich zelf bewust lijkt te zijn.

Wat Rowse door zijn achtergrond goed doorzag, was het gevaar dat de 'upper class', die de Britse diplomatie in de jaren dertig beheerste, door haar klassebewustzijn Hitler onvoldoende serieus nam en daardoor het Duitse gevaar onderschatte. Typerend is de anekdote over Lord Halifax, die zijn jas aan Hitler wilde geven in de veronderstelling dat deze een bediende was. Zulke vooroordelen had Rowse niet. Hij toont zich een scherp en kritisch beoordelaar van mensen, iemand met een zelfstandig oordeel die zich niet gauw door mooie praatjes of de waan van de dag laat meesleuren. Dat blijkt bijvoorbeeld uit zijn verhaal over S. Radakrishnan, een 'fellow' van All Souls die later de eerste president van India zou worden. (All Souls had wat met India. Het leverde drie onderkoningen en verschillende ministers van India). Deze Indiër, die als een vroom en idealistisch man te boek staat, was volgens Rowse een echte hypocriet. Zo gaf hij eens een lezing over het ideaal van de huwelijkstrouw terwijl zijn maîtresse op de eerste rij zat. Bovendien toucheerde hij drie salarissen tegelijk. Rowse's oordeel is even bondig als begrijpelijk: “I thought him a humbug”.

Rowse is ongetwijfeld 'a fine college man'. Zijn liefde voor het 'college' en voor 'college life' is evident. Toch is hij eigenlijk niet het prototype van de 'college man'. Hij haat roken, vindt dat de port hoogstens twee keer hoeft rond te gaan (en niet zes keer zoals doorgaans het geval was) en over de beroemde wijnkelder van All Souls merkt hij slechts op: “living on top of one of the best cellars in Oxford meant nothing to me”. Daar moet hij tamelijk alleen in hebben gestaan. Voor velen van zijn collegae, zoals blijkt uit zijn boek, maar ook voor menige bezoeker behoren deze zaken tot de vele vreugden van All Souls, zoals ook de lunch in de 'buttery' of het diner in de 'Hall', het volmaakte groen van de 'quads', de goudkleurige gloed van de gebouwen, het onvergelijkelijke uitzicht op de Radcliffe Camera en zo veel meer. Voor wie, zoals het lot van de meeste academici is, dit alles slechts kent als bezoeker, is het een vreemde gedachte dat in een ogenschijnlijk zo volmaakte omgeving zoveel ongelukkige mannen wonen en werken.

    • H.L. Wesseling
    • Columnist op de Opiniepagina van Nrc Handelsblad