Omheind Germaans kamp uit derde eeuw blootgelegd

HEETEN, 2 APRIL. In het Overijsselse dorpje Heeten is bij opgravingen een omheind Germaans kamp uit de derde eeuw blootgelegd. De provinciaal archeoloog van Overijssel, A.D. Verlinde, spreekt van “een unieke vondst van nationaal belang”. Een kamp van deze aard uit die tijd was in Nederland onbekend. Er zijn restanten van smederijtjes en werkplaatsen aangetroffen die hoogstwaarschijnlijk hebben gediend om wapens te maken. Men vermoedt dat het kamp eigendom was van een stamhoofd van de salische Franken. “Het moet een economisch en politiek machtscentrum zijn geweest”, aldus een opgetogen Verlinde.

De opgravingen worden geleid door de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB). Het kampement is evenwel ontdekt door amateur-archeoloog B. Terlouw uit Raalte, de gemeente waartoe Heeten behoort. Bij de afbraak van een oude molen besloot Terlouw te gaan graven, omdat onder essen (verhogingen in het landschap ontstaan door eeuwenlange potstal-bemesting) als deze wel vaker archeologische vondsten worden gedaan.

“Voordat ik het wist zat ik midden in de scherven”, vertelt Terlouw. Meteen bij zijn eerste poging groef hij twee puntgave Germaanse kommen op. Het was de reden voor de ROB om zich met de zaak te bemoeien. Men denkt dat de kommen 'terreinoffers' waren: een gift aan de goden om bescherming voor het kamp af te smeken. Ze werden aangetroffen in wat de ROB een “rituele kuil” noemt, precies in een van de hoeken van het ongeveer een hectare grote kamp, dat door houten palen omheind was.

De archeologen troffen ook graven van dieren aan, waarvan vermoed wordt dat ze gebruikt zijn voor rituele doeleinden. In een kuil werden zelfs de botten van een paard gevonden en in andere kuilen de botten van jonge koeien. Verder werden resten van opslagplaatsen en enkele boerderijen gevonden. Het meest bijzonder van het Germaanse kampement is de aanwezigheid van de smederijtjes en de ovens.

Verlinde: “Daardoor waren we zeer verrast. Ovens tref je bijna nergens aan. En als je ze al vindt, dan is het meestal een enkel exemplaar voor huis-tuin-en-keuken-gebruik. Hier hebben we er drie gevonden en waarschijnlijk waren er meer. Het ligt voor de hand dat men daarmee meer deed dan spijkers maken.”

De hoofdfunctie van het kamp was de ijzerindustrie. Er zijn vele tientallen kilo's slakken (ovenafval) gevonden, er zijn evenwel nog nergens restanten van wapentuig of ander gesmeed materiaal aangetroffen.

De nederzetting heeft een tot twee generaties dienst gedaan. Daarna is ze door de bewoners verlaten. Verlinde denkt dat er enkele families hebben gewoond. Over de Germanen in dit deel van Nederland is zo weinig bekend, dat men een beetje moet gissen naar hun historie. Het waren in ieder geval voornamelijk boeren, in hun tijd echter zeker niet “onontwikkeld”, getuige de volgens kenners zeer goede ijzerovens die ze hadden. Ze weefden ook hun eigen kleding. Volgens Verlinde kan de totale stam enkele duizenden mensen groot geweest zijn. “Maar ik kan het ook honderd procent fout hebben.”

De Germanen die in Overijssel leefden, hebben nauwelijks contact gehad met de Romeinen. Terwijl uit dezelfde periode in bijvoorbeeld Nijmegen en Friesland wel veel Romeins aardewerk bekend is, wordt in Overijssel nauwelijks iets van die oorsprong gevonden. De vondst van een stukje rood gezegeld Romeins aardewerk verraste de archeologen dan ook zeer. Op aardewerk van de Heetense Germanen zelf zijn ook Romeinse invloeden aangetroffen. Er is een deel van een imitatie van een Romeinse kruik gevonden.

Terlouw deed zijn ontdekking in Heeten in december vorig jaar. Sinds februari is de ROB nu aan het graven. Zoals gewoonlijk heeft men de vondst enige tijd 'stil gehouden' om geen last te hebben van schatzoekers.

Zoals zo vaak staan bouwvakkers aan de rand van de opgraving te dringen om heipalen te slaan voor een nieuwe wijk en elk afgegraven en in kaart gebracht stukje kampement wordt meteen onder bouwzand bedolven.

Terlouw berust daarin: “Hier komt een laat twintigste eeuwse nederzetting.”

    • Frank Poorthuis