LUCHTKASTEEL

Misschien was ik nog nijdig van de manier waarop hij me had begroet, met een joviale klap op de schouder, waar ik hevig van schrok; en misschien had ik niet verwacht hem hier te zullen treffen, of hem ooit nog te zullen treffen.

Maar ik herkende hem eerst niet, terwijl hij bij nader inzien niets was veranderd. Hij had een stoppelbaard, maar voor de rest was zijn gezicht nog even kinderlijk. De ronde, wanhopige ogen, bolle wangen, het wipneusje, de schuine glimlach die plezier kon betekenen, of pijn. Maar hij was nog precies dezelfde 'Djiele', zoals we hem noemden. Hij heette eigenlijk 'Dilip', naar een beroemde Indiase filmster, maar de creoolse jongens in de straat maakten er een Surinaamse naam van.

Djiele was ieders speelkameraadje, omdat je hem alles kon wijs maken en omdat alles wat hij ondernam mislukte. Als wij samen mango's gingen stelen bij de achterburen, was hij degene die werd betrapt werd, terwijl hij nog in de boom zat. Als we vliegers oplieten, was hij de eerste wiens touw brak, als we op de smalle zandstraat voetbalden belandde hij in de goot en tijdens het knikkeren tegen een muur was hij natuurlijk degene die mis gooide en een ruit brak.

Een pechvogel waar iedereen dol op was. Hij woonde in een huis dat vroeger mooi moest zijn geweest, maar in staat van verval verkeerde, sinds zijn moeder was weggelopen met een man van Indiaanse afkomst. Zijn vader kon er niet overheen komen. Hij raakte aan de drank en kwam elke avond lallend en zingend thuis. We hoorden hem tegen Djiele en zijn broertje schelden, omdat hij aannam dat die niet tevreden waren met het oude brood dat hij ze als avondmaaltijd aanbood, in plaats van de rijst en groenten die ze kregen toen moeder er nog was. Hij sloeg ze en omhelsde ze daarna, en snikkend vielen de stakkers in slaap.

Op een kwade dag besloot Djiele's vader zijn vrouw terug te halen. Hij verkocht zijn laatste bezittingen om naar het binnenland te gaan, want daar woonden volgens hem alle indianen. Na een paar weken kwam hij terug. Ongeschoren, vervuild, verdrietig en nog gekker dan eerst, maar sober, omdat hij geen geld meer had voor drank en geen enkele winkel in de stad hem nog krediet wilde verschaffen. De man kwijnde weg in zijn verdriet, hij verwaarloosde zichzelf, zijn huis en zijn kinderen, en het meest hadden we medelijden met Djiele, omdat die zo'n lieve sukkel was en beter verdiende.

Nu zat hij tegenover mij in een Surinaamse broodjeszaak. Niet veel vrolijker dan vroeger, maar dat kwam door die ogen en die eigenaardige glimlach. Hij was al vijf jaar in Nederland. Hij had politiek asiel gevraagd omdat hij, zo vertelde hij de vreemdelingenpolitie, in Suriname in politiedienst had gezeten, drugskoeriers had gearresteerd en zelfs cocaïne-laboratoria had ontmanteld. Zijn Nederlandse collega's vonden zijn verhaal iets te sterk en overhandigden hem een briefje waarop stond dat hij binnen twee weken het land moest verlaten. Bovendien was hij nooit echt politieman geweest. Hij had het wel willen worden, maar na drie maanden was hij van de opleiding gestuurd.

Djiele bleef in Nederland, illegaal, en deed van alles om aan geld te komen: hij had een jaar voor de gemeente gewerkt, als stratemaker, maar toen men te weten kwam dat zijn papieren niet in orde waren werd hij ontslagen. Daarna was hij loodgieter geworden, maar hij had niet het juiste gereedschap, waardoor hij meer lekkages achterliet dan hij aantrof.

“Maar weet je”, zei hij terwijl hij voorover boog om mij een groot geheim te verklappen, “ik ga hier rijk worden.” Hij keek me aan met een grote grijns, en liet mij even in spanning. Hij had er diep over nagedacht. Volgens hem was er maar een produkt in Nederland dat nog toekomst had, en dat was peper. De Chinezen hadden pinda naar Nederland gebracht, en kijk: iedereen at tegenwoordig patat met pindasaus. Maar peper kenden ze nog niet, omdat ze dachten dat die te heet was. Maar je kon er verrukkelijke sauzen mee maken, en daar werkte hij nu aan. De sauzen die nu te koop waren had hij uitgebreid onderzocht, hij vond ze veel te heet. Hij experimenteerde met minder hete sauzen, hij mengde er tomaat, kokos en pinda door, tot hij de juiste smaak had. Hij was er bijna, het kon nog maar een paar weken duren. En dan, dan zouden alle winkels vol staan met zijn saus. 'Djiele's hotsaus', zo zou zijn mengseltje heten.

Hij had op televisie gezien hoe een man in Amerika rijk was geworden met een soort lotion tegen zonnebrand. Die had ook een heleboel dingen door elkaar gemengd en in kleine flesjes gestopt, en nu was hij miljonair. Hij woonde in een gigantisch huis met een heleboel mooie jonge vrouwen in bikini om hem heen. Hij had drie zwembaden, een binnen, een half binnen en half buiten, en een helemaal buiten. Als je maar iets nieuws uitvond was je zo rijk. En als je eenmaal rijk was gaven ze je vanzelf een verblijfsvergunning.

Djiele had een uitgewerkt plan. Hij liet me een lijstje zien van de winkels die zijn saus zouden verkopen. Op alfabetische volgorde, van Albert Heijn tot de Voordeelmarkt. Deze lijst had hem twee weken gekost: te voet en per tram en bus had hij de routes afgereisd, hij had zelfs rekening gehouden met hoeveel potjes saus hij in een keer kon meenemen, in een grote tas. Later zou hij een busje aanschaffen, en dan ook buiten Amsterdam leveren. Wacht maar af, zei hij zelfverzekerd, met zijn saus ging hij het helemaal maken.

De schat. Zoals kindjes hun ogen extra hard dichtknijpen om een wens te laten uitkomen, legde hij vol vuur en energie de stenen op elkaar voor zijn luchtkasteel. Tegen zoveel geestdrift was niets te beginnen. Zijn vrouw - tot mijn stomme verbazing had hij een vrouw en een kind van vier - zijn vrouw verdiende voorlopig de kost als dienstmeid bij een Nederlandse notaris. Hij had ook een tijdje gewerkt in de schoonmaaksector, maar in die branche kwam je niet vooruit, had hij gemerkt. Zijn baas was een Turk, en die trok openlijk zijn landgenoten voor. Als ze een kantoorpand deden, kreeg hij altijd de wc's en de gang, terwijl de anderen met een doekje de bureau's mochten afstoffen.

Als stratemaker had hij hetzelfde probleem: hij werkte met Hollanders, maar hem moesten ze altijd hebben. Zodra er een zware klus kwam, riepen ze: “Djiele.” Zelf stonden ze dan een shagje te draaien en hem in de maling te nemen.

Dat deden wij vroeger ook, maar ik zei niets. Waarom zou ik hem wakker schudden? Was deze jongen wel uit zijn roes te krijgen? De werkelijkheid zou worden zoals hij haar droomde en ik gunde hem zijn illusies, zijn argeloosheid, al maakte ik me een beetje zorgen over zijn gezin. Toen hij het eindelijk vroeg, zei ik verlegen dat ik bij een bedrijf werkte waar ze kranten maakten. Hij snapte het eerst niet: ik was vroeger zo goed op school, hoe kon het nou dat ik niet verder was gekomen. Ik begreep dat hij dacht dat ik drukker was geworden, of sjouwer of nog erger: dat ik na vijf uur het schoonmaak werk deed. Dus legde ik hem uit dat ik in de krant schreef. Ah, dat was beter, zei hij, hij wist wel dat ik het zou redden. Hij gaf mij nog zo'n hartelijke schouderklop en een visitekaartje: “Djiele's Hotsaus. Directeur: Dilip Gopal.”

Of ik niet een beetje reclame in de krant voor hem kon maken, vroeg hij, met een foto van hem er bij. Dat van die foto kon ik hem niet beloven, maar de advertentie zou ik onmiddellijk regelen. Bij deze.

    • Anil Ramdas