John F. Kennedy (1917-1963); Luie beroepspoliticus zonder ideeën

Richard Reeves: President Kennedy, Profile of Power 316 blz., Simon and Schuster 1993, ƒ 65,60

Sinds 22 november 1963 is het vrijwel onmogelijk over het presidentschap van John F. Kennedy een rationeel en afgewogen oordeel te geven. De dodelijke schoten van Oswald maakten van Kennedy als enige van de naoorlogse presidenten, een mythische figuur met een grote schare van aanbidders en een wat kleinere schare van haters. De aanbidders zien hem als de grootste politieke belofte van de afgelopen decennia, die de Verenigde Staten voor veel onheil had kunnen behoeden als zijn leven niet zo tragisch was geëindigd in Dallas. De haters beschouwen hem, vooral vanwege zijn opmerkelijke overspeligheid, als een immorele en verwerpelijke figuur.

Richard Reeves probeert in President Kennedy, Profile of Power tot een wat afstandelijker en neutraler oordeel te komen. Hij doet dat door Kennedy's presidentschap zo gedetailleerd mogelijk, van dag tot dag te beschrijven. Wat wist Kennedy, op welk moment en welke beleidsbeslissingen heeft hij op grond van die kennis genomen? Dat zijn de vragen die Reeves zich steeds stelt. Deze aanpak is succesvol, soms zelfs fascinerend, voor Kennedy's eerste jaar als president. Reeves slaagt er in de atmosfeer en de politieke preoccupaties van het begin van de jaren zestig duidelijk in beeld te brengen. Daarna - en dan heeft men nog zo'n 400 bladzijden voor de boeg - gaat het gebrek aan structuur en analyse, dat een onvermijdelijk gevolg is van Reeves' methode, de lezer steeds meer tegenstaan. De zoveelste extreem gedetailleerde beschrijving van de rakettencrisis van oktober 1962 is even vervelend als de zesde televisievertoning van Casablanca. Het is een mooi verhaal, maar op een goed moment heb je er toch definitief genoeg van.

Reeves besteedt ruime aandacht aan Kennedy's ziektes en vriendinnen. De president was zonder meer een medisch wonder. Hij was verschillende malen aan de dood ontsnapt, leed aan een groot aantal kwalen en had vrijwel altijd pijn. Hij werd op de been gehouden met cortisone en dagelijkse dubieuze injecties, toegediend door diverse kwakzalvers. Toen zijn broer hem eens vroeg of al die injecties wel verstandig waren, zei de president dat hij zich vol zou laten spuiten met paardenpis, als dat enige verlichting van de pijn zou geven. Door de cortisone, zo begrijp ik zonder er enig verstand van te hebben, zag dit fysieke wrak er jeugdig en vitaal uit, vooral op de televisie.

Kennedy versleet een verbijsterend aantal vriendinnen. Bewakingspersoneel, vrienden, ministers, vrijwel iedereen in zijn directe omgeving speelde zo nu en dan een rol in de gecompliceerde logistieke operaties die nodig waren om de president van verse vriendinnen te voorzien. Hoe fascinerend dit alles ook is, Reeves weet nergens op overtuigende wijze aan te tonen dat de medische en seksuele eigenaardigheden van de president zijn functioneren op gevaarlijke wijze hebben gehinderd. Er is op die conclusie maar één enkele uitzondering. Kennedy's seksuele escapades werden met aandacht gevolgd door J. Edgar Hoover, de directeur van de FBI. Hoovers gedetailleerde kennis maakte de president tot op zekere hoogte van hem afhankelijk. Daardoor was het onmogelijk de directeur van de FBI te ontslaan en als er nu iemand in die jaren in Washington voor onmiddellijk ontslag in aanmerking kwam, dan was het wel deze gevaarlijke psychopaat.

Potsierlijk

De mythische held Kennedy wordt vooral geassocieerd met het optimisme en de vitaliteit van de jaren zestig. Reeves maakt duidelijk dat de echte Kennedy bovenal een produkt was van de jaren vijftig: zijn hele denken werd bepaald door de Koude-Oorlogsatmosfeer van dat decennium. In de eerste twee jaar van zijn presidentschap sprak hij in vrijwel elke redevoering met een Churchilliaanse retoriek die achteraf nogal potsierlijk aandoet, over de vreselijke gevaren van het Russische expansionisme. De defensiebegroting werd in 1961 flink verhoogd terwijl daar geen enkele reden voor was. Het Amerikaanse militaire apparaat was in alle wezenlijke opzichten veruit superieur aan dat van de Sovjet-Unie.

Juist tegen de achtergrond van Kennedy's hoogdravende confrontatieretoriek was de reeks van hele en halve mislukkingen die hij in de buitenlandse politiek in 1961 op zijn conto schreef extra pijnlijk. Vanwege die mislukkingen besloot de president dat hij zijn reputatie alleen kon redden als hij de communisten ergens succesvol partij kon geven. De meest aantrekkelijke plaats om dat te doen, zo meenden de president en zijn medewerkers, was Zuid-Vietnam. De Vietnamese burgeroorlog was bepaald geen marginale situatie, waarbij de Amerikanen min of meer toevallig betrokken raakten. Gezien de beslistheid waarmee Vietnam gekozen werd als strijdtoneel, is het dan ontluisterend te zien hoe weinig de koele pragmatici van de regering-Kennedy wisten van de werkelijke situatie in Zuid-Vietnam. Op basis van wat vage geopolitieke kletskoek en zonder enige kennis van zaken begon men aan een avontuur dat miljoenen doden en honderden miljarden dollars zou kosten.

In de binnenlandse politiek was Kennedy nog minder succesvol dan in de buitenlandse politiek. Een ruime meerderheid van zijn voorstellen voor nieuwe wetgeving sneuvelde in het Congres lang voor het zelfs maar tot plenaire behandeling kwam. Dat was overigens niet alleen zijn eigen schuld. Tot de verkiezingen van 1964 werd het Congres gedomineerd door een conservatieve coalitie van Republikeinen en zuidelijke Democraten, die zich vast hadden voorgenomen in de binnenlandse politiek elke innovatie te vermijden. Daarbij kwam dat Kennedy's electorale mandaat flinterdun was. Hij had in november maar 120.000 stemmen meer gekregen dan zijn tegenkandidaat Richard Nixon.

Al met al is het onbegrijpelijk waarom deze middelmatige president na zijn dood zo'n mythische held is geworden. Bij zijn leven was hij in ieder geval aanmerkelijk minder inspirerend dan na zijn dood. Misschien ligt zijn grootste betekenis wel in het feit dat hij de eerste 'mediapresident' was. Hij was charmant, kwam goed over op de televisie en wist de jounalisten om zijn vinger te winden door hun persoonlijke aandacht te geven. Wat een contrast met zijn voorganger Eisenhower, die de pest had aan de televisiecamera's en alle journalisten beschouwde als groezelige en onbetrouwbare blocnootvullers.

John F. Kennedy was een intelligente, ambitieuze maar ook luie beroepspoliticus. Van opmerkelijke opvattingen of een politieke gedrevenheid iets bijzonders tot stand te brengen, had hij geen last. Het enige dat hij interessant vond, zelfs opwindend, was president van de Verenigde Staten te zijn. Werkelijk belangrijke politieke kwesties waren er volgens hem in zijn tijd eigenlijk niet meer. Zo had hij aanvankelijk geen oog voor de meest wezenlijke politieke uitdaging van zijn tijd: de strijd van de zwarten in de Verenigde Staten voor hun burgerrechten. Hij vond die strijd vooral lastig en electoraal gevaarlijk. Dat hij tenslotte wel iets voor de beweging van de burgerrechten heeft gedaan was omdat hij niet anders kon, niet vanwege enige emotionele betrokkenheid.

Overdosis

Naarmate 1962 en 1963 van dag tot dag vorderen, had ik steeds meer moeite bij het lezen van President Kennedy, Profile of Power de vaart er in te houden. Na enige reflectie ben ik tot de conclusie gekomen dat ik last had van een overdosis Kennedy. Voor de geschiedschrijving van de naoorlogse Verenigde Staten is het van het grootste belang dat de Amerikaanse historici en journalisten besluiten een kwart eeuw niet meer over Kennedy te schrijven. De tijd en energie die daardoor vrij komen kunnen dan worden gestoken in de studie van andere na-oorlogse presidenten, die, afgezien van een enkele uitzondering als Gerald Ford, aanzienlijk interessanter en belangrijker waren dan Kennedy. Een Kennedy-moratorium: dat is zo langzamerhand de enige oplossing.

    • M. van Rossem
    • M. van Rossem is historicus
    • verbonden aan de Rijksuniversiteit Utrecht