In 1938 telde de stad nog zestien Teitelbaums, nu niet één meer; Eindelijk heeft Wenen weer een joods museum

De expositie van Chagall is tot 12 juni te zien, MOPP van 24 juni tot 18 september.

WENEN, 2 APRIL. Wenen heeft weer een joods museum. Eind vorig jaar werd in het hartje van de oude binnenstad, op nummer elf van de Dorotheergasse, het zogenaamde 'Palais Eskeles' geopend als museum, annex coffeeshop en boekhandel. Het museum heeft een tweeledig doel: het joodse religieuze leven en de feiten over de Shoah tonen, en de relaties tussen joden en niet-joden in Oostenrijk en Europa. Tegelijkertijd hopen directie en curatoren dat het huis een ontmoetingsplaats zal worden van joodse en niet-joodse burgers, wetenschappers en kunstenaars.

Met de opening van het museum loste de Weense burgemeester Helmut Zilk een belofte in die hij in 1988 bij de vijftigste verjaardag van de 'Anschluss' van Oostenrijk aan nazi-Duitsland had gedaan. Hij zei toen in zijn ambtsperiode een joods museum tot stand te willen brengen waardoor de misdaad die de nazi's tegen het vroegere joodse museum in Wenen hadden begaan, ongedaan zou worden gemaakt. In 1938 sloten de nazi's met hun gebruikelijke geweld dit voormalige, destijds oudste joodse museum ter wereld, dat in het zeer joodse stadsdeel van Wenen - de Leopoldstadt - was gelegen. Gelukkig wist de toenmalige directeur het grootste deel van de unieke collectie op tijd in te pakken en te verstoppen. Pas kort geleden werd deze schat in de kelders van een huis in de Leopoldstadt gevonden.

Het nieuwe museum kwam niet zonder slag of stoot tot stand. Eerst was men van plan iets nieuws te bouwen, maar omdat men dit in de binnenstad wilde doen was het ondoenlijk een lokatie te vinden. De representante van Sotheby's in Tel Aviv, Daniëla Luxembourg, die in eerste instantie tot directrice van het nieuwe museum was benoemd, legde zich tenslotte vast op het bijna lugubere idee museale ruimtes onder de grond van de Judenplatz te laten metselen. Toen het haar niet lukte dit te verwezenlijken trad zij af.

In hoog tempo drukten de Weense autoriteiten toen een nieuw plan door: het museum moest worden gehuisvest in het stadspaleis in de Dorotheergasse dat eens aan het beroemde joodse bankiershuis Arnstein & Eskeles had behoord. Palais Eskeles was in het begin van deze eeuw een belangrijke kunstgalerie en werd de laatste jaren gebruikt door het beroemde Weense veilinghuis Dorotheum. Ideale ruimtes voor exposities biedt het niet, maar men is van plan over een jaar of twee het huis te verbouwen op basis van de dan opgedane ervaringen. Tot directeur van het museum werd Theodor Herzl-expert professor Julius Schoeps benoemd, die in Potsdam Duits-Joodse geschiedenis doceert en de grote tentoonstelling in Berlijn Jüdische Lebenswelten (1992) mede hielp organiseren.

Op de open dag in november warmee 'Das Jüdische Museum der Stadt Wien' zijn bestaan begon liep het storm. Zevenduizend bezoekers verdrongen zich in gangen en zalen. Sindsdien heeft het museum, dat alle dagen open is behalve zaterdag, tussen de vijf- en de zevenhonderd bezoekers per dag, vaak schoolklassen met hun docenten. Maar zoals een staflid vertelde, komen er ook veel gepensioneerden die nu de tijd hebben om zich te herinneren en zich daarbij soms af te vragen uit welke wereld hun in de nazitijd verdwenen joodse klasgenoten stamden en wat die hebben meegemaakt. De expositie Hier hat Teitelbaum gewohnt maakt die wereld indringend, maar zonder aggressieve middelen, duidelijk. In het adresboek van Wenen van 1938 stonden zestien Teitelbaums: winkeliers, handelaren, gemiddelde burgers. De naam Teitelbaum komt op dit moment in Wenen niet meer voor.

Als er een stad in Europa is waar een joods museum op zijn plaats lijkt, is dat Wenen. Ook als het niet waar is dat er al joden in het begin van onze jaartelling hebben gewoond in wat toen een Romeinse vestiging was, dan nog staat vast dat er al in de twaalfde eeuw een joodse muntmeester Schlomo woonde, die in 1196 door passerende christelijke kruisvaarders werd vermoord. Er zijn documenten uit de dertiende eeuw bekend waarin de rechten en plichten van joodse bewoners werden geregeld. Twee eeuwen later waren er zeventig, door joden bewoonde huizen in de omgeving van wat nu nog de Judenplatz heet.

In 1421 liet de door geldgebrek geplaagde latere keizer Albrecht II alle joden oppakken. Hun huizen werden geconfisqueerd. De armen werden de stad uitgezet, de rijken gefolterd om uit te vinden waar zij hun bezittingen hadden verstopt, waarna zij werden verbrand in wat nu de buitenwijk Erzberg is. Later werden uit financiële motieven toch weer individuele joden tot Wenen toegelaten, ook al moesten ze na 1624 in een getto wonen. In 1669 wees de zeer 'vrome' rooms-katholieke keizer Leopold I de joodse bevolkingsgroep opnieuw uit, wat uiteraard weer gepaard ging met het betalen van allerlei belastingen. Berlijn, Hongarije en Bohemen namen hen op.

Toen de joden weg waren ontdekten keizer en hof dat hun vertrek een financiële ramp was. Individueel werden daarop weer joodse bankiers binnen gelaten, van wie sommigen (de Oppenheimers, de Wertheimers) zeer rijk werden. De joodse minderheid kreeg in 1782 zekere rechten, toen de zoon van de anti-semitische Maria Theresia, keizer Joseph II, een Toleranzpatent formuleerde. Maar pas in 1852, na het aantreden van keizer Franz Josef, kon een Kultusgemeinde worden opgericht. Groot was het aantal joden in Wenen toen nog niet: in 1860 woonden er niet meer dan 6.200.

Maar daarna stroomden tienduizenden toe, van wie een groot aantal een prominente rol in zakenleven, industrie, wetenschap, kunst en politiek zou spelen. Het Wenen dat de joodse schrijfster Hilde Spiel prachtig heeft beschreven in haar Glanz und Untergang, Wien 1866-1938, was ondenkbaar zonder de inbreng van de joodse minderheid, die in 1923 200.000 zielen telde, waaronder overigens 77.000 vluchtelingen uit het Oosten. Hoe in die tijd in Oostenrijk en Duitsland het anti-kapitalistisch anti-semitisme een onzalige verbintenis aanging met een racistisch kleinburgerlijke jodenhaat, weet helaas iedereen die in de twintigste eeuw is opgegroeid. Het geniale, creatieve Wenen van het begin van deze eeuw werd erdoor vernietigd.

Deze hele geschiedenis met zijn hoogte- en dieptepunten beschouwt de leiding van het nieuwe Joodse Museum in Wenen als zijn terrein. Het museum is geopend met vier tentoonstellingen, waarin verschillende facetten aan bod kwamen. Er zijn op het Hooglied van Salomo geïnspireerde kunstwerken van de Duitse beeldhouwer en schilder Heinz Mack, foto's die Nachum Gidal nam in 1934 in Luzern op het dertiende internationale congres van psycho-analytici, en een fotoserie van Sigmund Freuds appartement in de Berggasse 19, gemaakt door Edmund Engelman vlak voordat Freud in 1938 moest emigreren naar Engeland. Tenslotte voert de historische rondgang Hier hat Teitelbaum gewohnt langs voorwerpen en teksten die hoofdmomenten illustreren uit de geschiedenis van de joden in Wenen. Deze laatste tentoonstelling die ook gesproken tekst biedt (onder andere ronduit weerzinwekkende verslagen van debatten over joodse problemen in het Oostenrijkse parlement van vlak na de oorlog) is nog te zien tot 15 mei.

Voor dit jaar staan twee veelbelovende kunstexposities op het programma. Chagall-Bilder-Träume-Theater (1908-1920) bevat in het Westen nooit getoonde doeken uit de kelders van het Moskouse Tretjakov-museum en verloren gewaande wandschilderingen uit het joodse Kammertheater in Moskou. In de tentoonstelling MOPP-Max Oppenheimer (1885-1954) zal voor het eerst sinds 1935 een overzicht van het werk van deze vergeten Oostenrijkse expressionist worden gepresenteerd. Daarnaast wordt dit voorjaar een fotoserie van de Time/Life-fotograaf David Rubinger over het ontstaan van Israel getoond.

Op langere termijn denken museumdirecteur Schoeps en zijn staf aan tentoonstellingen over de schrijvers Joseph Roth, wiens honderdste geboortedag in september valt, Karl Kraus en Manès Sperber. In 1995, vijftig jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, zou een overzicht van het anti-semitisme en zijn meest gruwelijke consequentie - de Shoah - op zijn plaats zijn. Als basis zou daarvoor de collectie-Martin Schlaff kunnen dienen: vijfduizend uitingen van anti-semitisme, uiteenlopend van gebruiksvoorwerpen tot schilderijen en nazi-propaganda-materiaal, die het museum vorig jaar cadeau heeft gekregen. Verder ontving het museum de collectie-Berger, een tienduizend onderdelen tellend overzicht van kunstprodukten van het Oosteuropese jodendom. Daarnaast heeft het museum de unieke verzameling ontvangen van joodse rituele voorwerpen, helaas in slechte staat van onderhoud, die afkomstig zijn uit het in 1938 door de nazi's gesloten joodse museum.

    • André Spoor