Hoe de steden groeiden

Ed Taverne & Irmin Visser, redactie: Stedebouw. De geschiedenis van de stad in de Nederlanden van 1500 tot heden 394 blz., geïll., SUN / Open Universiteit, ƒ 69,50

Met enige overdrijving zou je kunnen beweren dat de schoonheid van oude binnensteden pas sinds 1900 in de publieke belangstelling is gekomen. Zoals J.P. Thijsse destijds de schoonheid van het landschap populariseerde, zo gaf A. Loosjes plaatwerken uit over 'stedeschoon'. Beleefde de gemiddelde stadsbewoner omstreeks 1500 ook enig esthetisch genoegen aan die schilderachtige stadsgezichten met bochtige straatjes en kleine huisjes in de schaduw van machtige kerkgebouwen? De geleerde architect Leon Battista Alberti had in het midden van de vijftiende eeuw wel enige waarderende opmerkingen gemaakt over het steeds wisselende decor van kromme straten, maar rechte en brede straten verleenden volgens hem meer allure aan een stad. Een geometrische stadsplattegrond gold als ideaal in de Italiaanse renaissance. Een eeuw later schijnt men ook in de Nederlanden die middeleeuwse complexe stadsplattegronden niet meer aantrekkelijk te vinden: kromme straten leiden tot 'minderinge van de publique vercieringhe' - tot vermindering van de welstand, aldus een verklaring van een Antwerpenaar uit 1582.

Planmatig aangelegde steden met een schaakbordachtige plattegrond zijn niet uitgevonden door de renaissance-stedebouwers. Er bestaan vrij veel middeleeuwse voorbeelden van dit type, bijvoorbeeld Nieuwpoort uit de twaalfde eeuw of Elburg uit omstreeks 1400. Dergelijke plattegronden komen ook voor in een aantal versterkte stadjes in Zuid-Frankrijk, die 'bastides' worden genoemd. Aigues-Mortes uit 1246 is waarschijnlijk de bekendste. Zulke plattegronden waren ingegeven door overwegingen van militaire aard. De militaire stad is overzichtelijk als een legerplaats, hiërarchisch ingedeeld en bevordert de discipline. Dat was niet toevallig ook het ideaal van renaissance vorsten, inclusief prins Maurits, stadhouder van de Republiek van 1585 tot 1625 en opperbevelhebber van het Staatse leger. Stedebouwkunde was toen een vak van veldheren. De opleiding daartoe had Maurits zelf in Leiden opgezet en werd 'Duytsche Mathematique' genoemd. Deze militaire en landmeetkundige traditie in de stedebouwkunde werd later voortgezet in civieltechnische opleidingen en kwam zo onder meer ten dienste van de waterstaat.

Lofzangen

Sommige idealen uit deze traditie over de ordelijke en hygiënische inrichting van steden kwamen in onze eeuw terecht bij de functionalistische stedebouw. Licht, lucht en ruimte werden toen de ingrediënten voor een wetenschappelijk verantwoorde aanleg van woonwijken, zoals die van C. van Eesteren aan de westkant van Amsterdam uit 1934. Het is onzin om een directe lijn te willen ontdekken tussen Simon Stevin, de stedebouwkundige van Maurits, en Cornelis van Eesteren, maar zij hadden wel een rationele, naar doelmatigheid strevende aanpak gemeen.

Wat de landmeetkunde voortbracht staat ver af van de romantische sfeer in de hiervoor al genoemde plaatwerken van A. Loosjes. Deze romantische traditie lijkt te zijn voortgekomen uit oudere stadsbeschrijvingen die vaak lofzangen waren op het glorieuze verleden, zoals die van Haarlem door Samuel Ampzing uit 1628. Maar de nogal zoetelijke blik van Loosjes op het stedeschoon en de topografische tekenaars die hem voorgingen - bijvoorbeeld Jan de Beijer uit de achttiende eeuw - kon de historische interesse op den duur niet langer bevredigen. Ze verdoezelde de ombarmhartige werkelijkheid van het vroegere stadsleven. Toch zijn die oude romantische stadsportretten onuitwisbaar in ons geheugen gegrift, als beelden uit een sprookje dat ons altijd in zijn ban zal houden. Ze zijn een deel geworden van onze kijk op het verleden van stad en land.

De mathematica van de landmeetkunde en de esthetica van het stedeschoon, de twee belangrijkste richtingen in de geschiedenis van de stedebouw, zijn op een verrassende manier verenigd in het moderne stadshistorische onderzoek. Daarvan getuigt het boek Stedebouw. De tweedeling tussen landmeetkunde en esthestiek is achterhaald door een ander type onderzoek dat de geschiedenis van beide tot onderwerp heeft. Het gaat hierbij om onderzoek naar de geschiedenis van de ruimtelijke ordening, dat wil zeggen het inrichten van de gebouwde omgeving en het landelijk gebied. Dit historisch onderzoek blijft niet meer steken in de registratie van het oude stads- en landschapsbeeld, maar onthult verbanden in tijd en ruimte die niet direct zichtbaar zijn. Een bekend voorbeeld is het onderzoek naar kavel- en perceelstructuren dat het mogelijk heeft gemaakt in de huidige stad patronen van het voorstedelijk landschap aan te wijzen. Het vroegere landschap met slingerende weggetjes en kavelsloten is weliswaar bedolven onder asfalt en bouwwerken, maar de tracés en de rooilijnen zijn al die eeuwen onveranderd gebleven. Zo ontstaat een nieuwe schoonheid op een abstracter niveau: een stad wordt als een kristal onder een microscoop: je ziet steeds nieuwe configuraties naarmate het oplossend vermogen van het apparaat groter wordt.

Hulpwetenschappen

Volgens Ed Taverne, de auteur van een historiografische inleiding hangt de nieuwe fascinatie voor de stedengeschiedenis samen met de 'verwaarlozing van de stad als ruimtelijk fenomeen'. Hoe lelijker de wereld, des te abstracter de kunst, zei Paul Klee al. Dat geldt kennelijk ook voor de geschiedschrijvers van de stedebouw.

Het vak stedengeschiedenis bestaat uit een mengeling van allerlei hulpwetenschappen, zoals de historische geografie, de cartografie, de sociale geografie, de archeologie, de bodemkunde, de demografie, de architectuurgeschiedenis en nog zo wat. De lezer van Stedebouw moet de bijdragen van maar liefst drieëndertig specialisten aan deze bundel niet beschouwen als een kort overzicht van de stedengeschiedenis van de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden, maar als een introductie op alle belangrijke aspecten van dit vakgebied. Wat de bundel zo waardevol maakt is de diversiteit van de onderwerpen en de hoge kwaliteit van de bijdragen. Het boek is opgebouwd rond vijf thema's: de koopmanstad, de ontworpen stad uit de achttiende en negentiende eeuw, de industriële stad, de moderne stad en de stad van de verbeelding. In dit laatste deel staat een essay van Ben de Pater over een nieuw terrein van onderzoek, de 'humanistische geografie'. Dat heeft niets met de humanistische beweging te maken, maar met het in kaart brengen van emotionele herinneringen aan plaatsen. Het doet een beetje denken aan het 'lieu de mémoire'-project van de Franse historicus Pierre Nora.

Wat uit het vak stedengeschiedenis wordt opgediept is niet altijd zo mooi als de propagandistische stedenbeschrijvingen uit de zeventiende eeuw suggereerden. In de prachtige stad Leiden kampte men al aan het einde van de zestiende eeuw met milieuproblemen die door de - meestal als bloeiend omschreven - textielnijverheid werden veroorzaakt. Dat kwam, zo schrijft Charles van den Heuvel, doordat bij het 'vollen', het vervilten van de wol, urine werd gebruikt die terugvloeide in de stadsgrachten. Ook de verfstoffen werden na gebruik geloosd op het oppervlaktewater. Toen de vervuiling zelfs naar middeleeuwse maatstaven niet meer te harden was, besloot het stadsbestuur een afvoer naar Oegstgeest te graven, de zogeheten vuilsloot.

Vooral het laatste deel over de moderne stad geeft veel inzicht in wat er gaande is in de wereld van de planologie en de stedebouw. De bijdrage van Wil Zonneveld over ruimtelijke planning vanaf de Tweede Wereldoorlog in Nederland geeft een heldere samenvatting van een materie die vaak door het gebruik van hermetisch vakjargon onnodig ingewikkeld wordt gemaakt. Een ander opvallend helder stuk is van Marcel Smets. Hij behandelt enkele moderne stedebouwkundige problemen, zoals door restauraties, reconstructies en 'invuloperaties' doodgeknuffelde steden. Brugge is zo'n stad waarin het decor voor de toeristen overeind is gehouden ten koste van wat een stad nu juist aantrekkelijk maakt: de diversiteit van bewoners en gebruikers. Volgens Smets is het met de stedebouw de laatste twintig jaar bergafwaarts gegaan. In de jaren zeventig werden de stedebouwkundige concepten verdrongen door inspraak en participaties, waardoor de stedebouw in de greep raakte van de bestuurswetenschappen en de welzijnszorg. Hierdoor raakte de stedebouw verlamd en stond hij in de jaren tachtig machteloos tegenover de ruimtelijke overval van investeerders. Smets schrijft over België, maar de situatie is in Nederland niet veel anders. Bedrijven vestigen zich uit een oogpunt van representativiteit bij voorkeur niet op industrieterreinen, maar langs autowegen: stadscentra verworden tot toeristische attracties 'en de bewoners zijn eindeloos onderweg om zich langs volgepropte autowegen van nergens naar nergens te begeven.' In 1500 stond de stedebouw nog in hoog aanzien, tegenwoordig is hij praktisch machteloos geworden. Met het vak stedengeschiedenis is het precies andersom gegaan.

    • Wim Denslagen