Een opgetrokken wenkbrauwstreep

Naar aanleiding van de brieven over de Engelse zegswijze waarin het verschil tussen de roek en de kraai wordt uitgelegd (“Als het op een kraai lijkt is het een roek; lijkt het op een roek dan is het een kraai”) en het stuk van Karel Knip van 17 maart over Netelkruipertjes wil ik nog even ingaan op het ongelukkige feit dat de meeste vogels vrijwel niet te herkennen zijn vanwege de zon die veren doet verbleken, vanwege het voorkomen van albino's en vanwege het feit dat de vogels zelf, kennelijk verward over hun eigen uiterlijk, het 'doen' met een andere soort, natuurlijk vaak van dezelfde familie, maar onhandig voor de vogelgidsen.

(Voor diegenen die nu wel even willen weten hoe dat nu zit met de roek en de kraai: Kraai heeft vergeleken met roek een ronde kop, terwijl de roek een steil, zelfs verticaal voorhoofd heeft, de kraai heeft een hangbroek en krast kraah, terwijl de roek hoog, gesmoord, hees en nasaal kaah roept).

Shakespeare zelf laat de gevaarlijke Macbeth - een naam die in Engeland niet mag worden uitgesproken - zeggen: “Come, seeling night

Scarf up, the tender eye of pityful day

And with thy bloody and invisible hand

Cancel and tear to pieces that great bond

Which keeps me pale! Light thickens, and the crow

Makes wing to the rooky wood.''

Hier vliegt de kraai dus duidelijk naar het Roekenbos.

Bovendien meldt dr. K.H. Vooys - die ik natuurlijk weer ken van mijn bijbel: 'Birds of the Netherlands Antilles', uit 1955, met tekeningen van H.J. Slijper, een eigenaardige man die weer de eerste vriend was van een vriendin van mij, ga maar door - dat de Nederlandse volksnamen voor vogels indertijd verzameld zijn door het Nederlands dialectenbureau, en die namen, meldt Knip ons, kloppen van geen kant: de landman en de visserman gooien er met de pet naar, zoals in die tijd misschien gebruikelijk.

In Nederland behelp ik me met het door Thieme uitgegeven handboek voor het identificeren van vogels, 'Vogeldeterminatie'. Het is van oorsprong een Engels boek (van Alan Harris, Laurel Tucker -tijdens de vervaardiging gestorven - en Keith Vinicombe). Omdat Engelsen ook de beste boeken over wijn schrijven, vind ik dat niet erg, maar ik moet dus geheel afgaan op de Engelse en Nederlandse kennis van Arnoud van den Berg die het vertaald en bewerkt heeft.

Het boek heeft iets eigenaardigs, waar ik pas na een jaar achter kwam. Ik merkte al snel dat er een groot aantal vogels ontbreekt, maar, zo legt de inleiding uit, “eenvoudig te determineren soorten zoals bijvoorbeeld ooievaar en ekster worden niet besproken omdat ervan wordt uitgegaan dat de lezer deze kent en niet met andere soorten verwart”.

Voorin en achterin staat een schetsmatige doorsnee van een vogel met een verklarende woordenlijst, zodat je weet wat bijv. de 'teugel' is, en waar de 'wenkbrauwstreep' eindigt.

Al lezend zakt de moed je in de schoenen.

Nooit en te nimmer zul je meer zeker zijn van een vogel, en ik herken goed de oude visserman van Knip die zonder aarzelen de naam 'kokmeeuw' opgaf voor een kokmeeuw, een zilvermeeuw en een mantelmeeuw. Persoonlijk ben ik nogal onaangenaam getroffen door het feit dat zwartkopmeeuwen vaak geen zwarte maar een witte kop hebben.

Ik pak Thieme's gids er even bij en daar zie ik een hoofdstukje getiteld 'Het Zilvermeeuwprobleem'. Merkwaardig genoeg leidt alleen de ringsnavelmeeuw tot verwarring: eerste- en tweedejaars ringsnavelmeeuwen kunnen worden verward met tweede- en derdejaars zilvermeeuwen die ook een duidelijke snavelring kunnen hebben. De zilvermeeuw ziet er achter altijd groot en dik uit met hoekige kop, zware snavel en 'kwaadaardige gezichtsuitdrukking'. Je kunt o.a. zien dat de tweedejaars zilvermeeuw meestal een lichte iris heeft. En de derdejaars zilvermeeuw heeft sporen van donkere vlekken die op de vleugeldekveren blijven zitten; resten van een onvolwassen kleed die de tweedejaars ringsnavelmeeuw nooit zal tonen (hoewel wel kleine hoeveelheden bruin op kleinste dekveren kunnen blijven).

Ja? Duidelijk?

De landman, zegt Knip, heeft ook last met de tureluur.

Dat is te begrijpen voor wie Thieme's gids leest. Zo doet in vorm de kemphaan aan de tureluur denken, “maar de kop lijkt kleiner en ronder, met langere hals en kortere snavel dan laatstgenoemde. Vaak lijkt hij (de K.) een iets gebochelde rug en een hangbuik te hebben”. En toch, zegt Thieme's gids, “loopt hij 'doelbewust rond', vaak in dichte troepen. Kijk, en dat doet de T. zelden.”

Het verschil tussen de tjiftjaf (onomatopee) en een fitis is weer duidelijk door de zang. De fitis heeft “een korte zang die zacht begint, luider wordt en afloopt met een swie-swietiew, terwijl de tjiftjaf tjiftjaft. Toch moeten we oppassen: er zijn verscheidene voorbeelden van Tjiftjafs die hun zang beëindigen met het laatste deel van de zang van de fitis”.

Het zijn heerlijke boekjes, al was het alleen maar omdat er vogels in voorkomen waar u nog nooit van gehoord hebt. Wat te denken van de kleine, de middelste en kleinste jager? Een gewone of een grote jager bestaat dus helemaal niet, in de trant van doperwtjes, middelfijn, fijn en zeer fijn.

Het dierenrijk blijft ons verbazen - en wij hen.