Een moslim helpen is nog erger dan een moslim te zijn

PRIJEDOR, 2 APRIL. Edina, een moslim, woont met haar dochtertje en haar moeder Fikreta in een landelijke buitenwijk van Prijedor. Vroeger waren vrijwel alle buren moslims, maar de meesten van hen zijn verdreven of vermoord. De achtergebleven huizen zijn verwoest of in bezit genomen door Servische vluchtelingen uit centraal-Bosnië. Om duidelijk te maken wie ze zijn, hebben ze steevast een Servische vlag uit het raam hangen. De overburen van Edina zijn moslims, maar ook zij hebben een Servisch vlaggetje in de tuin gezet. “Hun zoon is als soldaat van het federale Joegoslavische leger in de oorlog met Kroatië omgekomen, dus misschien helpt dat”, zegt Edina.

Zelf voelt ze zich totaal onbeschermd tegen de nachtelijke terreur. “Als de duisternis invalt, zien wij de dood in de ogen.” Ze barricadeert de voordeur met stoelen, maar dat heeft niet mogen baten. Vorige week drongen gemaskerde overvallers haar huis binnen, sloegen Edina en haar moeder een aantal keren in het gezicht en schoten de kleurentelevisie aan barrels.

De buren, een echtpaar van in de tachtig, hadden minder geluk. Tot drie keer toe werden ze beroofd. De laatste keer werd de bejaarde vrouw volgens Edina bovendien door twee mannen gemarteld en verkracht. Vorige week is hun huis tot de grond toe afgebrand, de resten smeulen nog na. Van het echtpaar is sindsdien niets meer vernomen. De politie bellen heeft geen zin, legt Fikreta uit. “De meeste agenten zijn jonge jongens die nooit een politie-opleiding hebben gehad maar gewoon een uniform hebben aangetrokken. Zelfs de reguliere, oudere agenten zijn bang dat als ze hun werk doen ook hun eigen familie iets zal worden aangedaan: een moslim helpen is immers nog erger dan een moslim tezijn.”

De meeste moslims in Prijedor slapen groepsgewijze bij elkaar zodat ze elkaar kunnen beschermen. Fikreta en haar moeder zijn doodsbang om hun naam te noemen, uit angst voor repressailles. Onlangs gaf een naar Zagreb ontkomen arts een interview op de Kroatische radio waarin hij de terreur tegen de moslims in Prijedor aan de kaak stelde. “Twee dagen later werden zijn beide ouders hier in Prijedor doodgeschoten en het huis van zijn oom in brand gestoken.”

Tot twee jaar geleden woonden er in het Bosnische deel van Krajina - tegenwoordig deel uitmakend van de 'Servische Republiek' - 350.000 moslims. Servische militieleden brachten in mei 1992 in enkele dagen tijd tijdens twee massale golven van 'etnische zuivering' naar schatting 20.000 van hen om het leven, deporteerden enkele duizenden mannen naar de in en vlak buiten Prijedor gelegen concentratiekampen Keraterm en Omarska en in de daarop volgende maanden ongeveer 280.000 mannen, vrouwen en kinderen in veewagens en vrachtauto's naar centraal-Bosnië en Kroatië.

Op alle mogelijke manieren worden de resterende moslims uit Prijedor bedreigd. Fietsers worden tegen de grond geslagen en vorig jaar kwamen zelfs enkele patiënten in het plaatselijke ziekenhuis om het leven, na een gewapende aanval op de operatiekamer. Volgens Niaz Kapetanovi'c, voorzitter van de moslim-hulporganisatie Merhamet, vraagt negentig procent van alle cliënten om kalmerende middelen, omdat ze de psychische druk niet meer aan kunnen.

Ook de medewerkers van Merhamet zijn hun leven niet zeker. Sinds het kantoortje van de organisatie - gevestigd in de huiskamer van een bejaarde vrouw - doelwit was van een bomaanslag, liggen de ruiten van de benedenverdieping eruit. “Ik ben de enige Merhamet-voorzitter in Servisch Bosnië die sinds het begin van de oorlog permanent in functie is”, stelt Kapetanovic. “Al mijn collega's zijn in de tussentijd naar kampen gedeporteerd, gerarresteerd, vermoord of gevlucht.” Toch weigert hij alles in het werk te stellen de achtergebleven moslims te evacueren. “We stoppen degenen die weg willen niet, maar we helpen ze ook niet”, zegt hij. “Er zijn tenslotte ook moslims die hier willen blijven wonen, zoals ik zelf, en we willen niet meewerken aan etnische zuivering.”

Het plaatselijke - Servische - Rode Kruis heeft lange lijsten met namen van mensen die weg willen. Ze moeten beschikken over doorreisvisa voor Kroatië en garantbrieven van Westeuropese landen die bereid zijn ze op te nemen. Het Rode Kruis in Prijedor vraagt bovendien 150 D-mark voor 'transportkosten' en 100 D-mark voor de tol over de brug die Bosnië met Kroatië verbindt, een astronomisch bedrag in een land waar het gemiddelde maandsalaris is gedaald tot 40 D-mark en waar alle moslims bovendien ontslagen zijn.

Volgens Rode Kruis-medewerker Pero Curguz staan vijf bussen in principe gereed voor vertrek, maar saboteert de Kroatische douane hun vertrek. “We doen wat we kunnen, maar de westerse media beschuldigen ons van het bedrijven van etnische zuivering.” Hij wijst erop dat sommige Serviërs uit Prijedor het Rode Kruis juist verwijten de moslims te helpen. Om zijn woorden te staven toont hij de kogelinslagen in zijn kantoor, volgens Curguz ontstaan, nadat vorige maand een aantal dronken mannen hun machinegeweren op het Rode Kruis gebouw leegden.

In Banja Luka - de grootste stad van Servisch Bosnië - wonen nog 15.000 moslims, de meeste van hen samengedreven in het getto Gornji Sjeher. Aangezien moslims geen auto's meer mogen besturen, hebben ze de claxons eruit gehaald en aangesloten op een accu. Bij onraad gebruiken ze die om elkaar te waarschuwen. Ook elders in de stad wonen nog moslims.

De Rus Vladimir Tsoerko, hoofd van het UNHCR-bureau in Banja Luka, zegt desgevraagd niet te weten hoe hij de moslims in de 'Servische republiek' bescherming kan bieden. Zijn staf bestaat uit zes man internationaal personeel en twee zogenaamde 'protection officers'. Dit tweetal is verantwoordelijk voor de bescherming van 50.000 moslims, woonachtig in 36 verschillende gemeentes. “Menselijk gesproken zou je moeten zeggen: we moeten zo snel mogelijk al deze mensen evacueren”, zegt hij. “Maar velen willen ondanks alles blijven wonen in hun geboortestad. Bovendien kunnen we als VN-organisatie toch moeilijk de etnische zuivering maar zelf ter hand gaan nemen.”

Noodgewdongen hanteert de UNHCR dan ook strenge criteria. “Hun leven moet acuut in gevaar zijn”, zegt Tsoerko. “Een simpele huisuitzetting is dus niet voldoende. Ze moeten daadwerkelijk bewijzen dat er een handgranaat naar binnen is gegooid, dat ze mishandeld zijn of verkracht.” Ook bestaan er soms mogelijkheden om in het kader van familiehereniging naar het buitenland te vertrekken, maar de mogelijkheden daatoe zijn beperkt. Tsoerko en zijn medewerkers moeten behoedzaam opereren, want ook zij ontvangen van tijd tot tijd “telefonische aanbevelingen om te vertrekken”, zoals Tsoerko het formuleert.

De Noorse Ragna Vik⊘ren, een van de twee 'protection officers', stelt dat ze in de praktijk maar bitter weinig kan uitrichten. Tegen dwangarbeid als fenomeen kan ze bij voorbeeld niets doen. Hoogstens kan ze proberen voor iemand een medische verklaring los te peuteren, zodat hij tijdelijk wordt vrijgesteld. 'Legale' uitzettingen - waarbij huuders een week de tijd krijgen om te vertrekken - kunnen door haar bemiddeling soms worden uitgesteld, tegenover illegale uitzettingen staat ze machteloos.

    • Alfred van Cleef