Een authentiek Frans drama

Jean-Denis Bredin: L'Affaire 856 blz., geïll., Fayard/Julliard 1993, ƒ 79,20

Alfred Dreyfus: Cinq Années de ma Vie 257 blz., La Découverte 1994 (1901/1982), ƒ 58,05

Pierre Birnbaum, redactie: La France de l'affaire Dreyfus 594 blz., Gallimard 1994, ƒ 70.-

Georges Bensousson: L'idéologie du Rejet 244 blz., Manya 1993, ƒ 55,45

Frankrijk herdenkt dit jaar le centenaire van een allerminst glorieuze gebeurtenis in zijn moderne geschiedenis: de arrestatie, op beschuldiging van hoogverraad, van kapitein Alfred Dreyfus en diens veroordeling tot levenslange verbanning. Dat zou het begin zijn van de Dreyfus-affaire die Frankrijk twaalf jaar lang, van 1894 tot 1906, diep verdeeld zou houden. L'Affaire was een enorm juridisch en politiek schandaal, waaraan antisemitische agitatie en wraakgevoelens tegenover Duitsland ten grondslag lagen. Zij was tevens een botsing tussen het Frankrijk van de Revolutie en het traditionalistische Frankrijk, een krachtmeting waarin het modernisme uiteindelijk zou overwinnen.

Het herdenkingsjaar is aanleiding voor een stroom van nieuwe publikaties en herdrukken van standaardwerken. Het verhaal was in grote lijnen al lang bekend, nieuwe onthullingen zijn uitgebleven. De scheidslijn tussen Dreyfusards en anti-Dreyfusards is vervluchtigd. Historisch behoort de zaak-Dreyfus tot het verleden.

De affaire moet worden geplaatst tegen de achtergrond van de maatschappelijke mutaties die Frankrijk in de laatste twee decennia van de negentiende eeuw onderging. De naar het ancien régime verlangende krachten, de aristocratie, de kerk, het leger, begonnen zich bedreigd te voelen door nieuwe ontwikkelingen: het oprukkende kapitalisme, de opkomst van de industrie en de verstedelijking. Het leger, incarnatie van het vaderland, katholiek en aristocratisch, had minachting voor de rechtsstaat. In die periode van snelle veranderingen fungeerde het leger zowel als toevluchtsoord voor als bescherming van de bedreigde kasten.

Twee specifieke factoren hadden als het ware het bed voor de Dreyfus-affaire gespreid. Omstreeks 1880 was in Centraal- en Oost-Europa een antisemitische storm opgestoken. In Frankrijk werd deze jodenhaat gestimuleerd door revanchistische gevoelens tegenover Duitsland over het verlies in 1871 van Elzas-Lotharingen. Er was een paranoïde sfeer ontstaan, waarin de stelling dat het land de oorlog door verraad en niet door militaire zwakte had verloren brede bijval verwierf. Aangewakkerd door de schotschriften van Edouard Drumont (La France juive) kregen de al bestaande vooroordelen tegen de joodse Elzassers een nieuwe dimensie: de joden zijn verkapte Duitsers, de joden zijn van nature verraders.

Ideale kandidaat

In dit opgeklopte klimaat was de Frans-joodse officier Alfred Dreyfus een ideale kandidaat voor landverrader. Zijn patriottisme en verering voor het leger, zijn afkomst uit de geassimileerde joodse burgerij in Mulhouse, de omstandigheid dat de jonge Alfred destijds zijn gedwongen vertrek uit deze (door de Duitsers geannexeerde) stad als een hartverscheurende ervaring had ondergaan, het deed allemaal niet ter zake. Maurice Barrès vertolkte de toen heersende hysterie perfect: “Dat Dreyfus tot verraad in staat is, concludeer ik uit zijn ras.” De jood als de natuurlijke zondebok.

Deze hetze was overigens van zeer recente datum. De Franse joden waren in 1791 volwaardige burgers geworden. Voor velen van hun nakomelingen werd Frankrijk in de negentiende eeuw een nieuw Beloofd Land. Tot omstreeks 1880 konden de Franse joden vrijwel ongehinderd ijveren voor hun integratie, waartoe de Revolutie de weg had gebaand. In sommige katholieke kringen bestonden wel vooroordelen tegen de joden, maar die hadden meer met anti-judaïsme dan met antisemitisme te maken.

Kapitein Dreyfus wordt in 1894 niet het slachtoffer van een juridische blunder, maar van een komplot. De samenzwering is op touw gezet door hoge Franse officieren, met rugdekking van de minister van oorlog, om Dreyfus wegens landverraad veroordeeld te krijgen. Daartoe wordt een 'bewijsstuk' opgesteld.

Het is de fameuze 'borderau', een document met geheime informatie over de Franse bewapening die Dreyfus aan de Duitse militaire attaché zou hebben overhandigd. Dit document wordt in een prullenbak in de Duitse ambassade gevonden door een schoonmaakster, die voor de Franse geheime dienst werkt. Ogenschijnlijk vertoont het handschrift gelijkenis met dat van Dreyfus. Deze wordt oktober 1894 gearresteerd en kort daarop onder schandelijke omstandigheden door een militair tribunaal tot levenslange verbanning veroordeeld.

De familie van Dreyfus staat machteloos. Terwijl de veroordeelde op het Duivelseiland wegkwijnt, is de doorsnee Fransman van zijn schuld overtuigd. De zaak lijkt definitief gesloten. Totdat een van de komplotteurs, Sandherr, als hoofd van de geheime dienst wordt opgevolgd door een majoor Picquart. Een bijzonder man, deze Picquart. Een veelbelovend officier, net als Dreyfus Elzasser, maar katholiek. Als het overgrote deel van het officierscorps in die tijd, heeft hij weinig sympathie voor joden.

Maar Picquart doet twee ontdekkingen: 1. De Duitse ambassade blijkt nog steeds geheime informatie over het Franse leger te ontvangen, en wel van een zekere majoor Esterhazy; 2. diens handschrift op de nieuwe documenten en dat van de 'borderaeu' zijn een en hetzelfde. Uit liefde voor de waarheid besluit Picquart het militaire establishment te trotseren.

De generale staf probeert de zaak definitief in de doofpot te stoppen door Picquart weg te werken. Opdracht wordt gegeven tot het fabriceren van een vervalst bewijsstuk over de schuld van Dreyfus. Le Faux Henry, zo genoemd naar de auteur van de falsificatie, overste Henry, moet de schuld van Dreyfus definitief bewijzen. De burgerlijke autoriteiten dekken deze nieuwe machinatie, maar kunnen het ontstaan van een pro-Dreyfusbeweging niet meer verhinderen. Zola, Clemenceau en Jaurès ijveren voor een herziening van het vonnis, maar de samenzweerders weten nog van geen wijken. De avonturier Esterhazy wordt vrijgesproken, Zola wordt voor zijn J'accuse veroordeeld.

In 1898 keert echter het getij. De politiek begint zich voor de zaak te interesseren, het gezag kan zich niet langer achter de raison d'état verbergen. Het bedrog van kolonel Henry komt aan het licht. In 1899 besluit een nieuwe, ditmaal linkse, regering tot herziening van het proces-Dreyfus. Het vonnis van 1894 wordt nietig verklaard, de veroordeelde naar Frankrijk teruggebracht. In augustus 1899 veroordeelt de krijgsraad hem opnieuw, ditmaal tot tien jaar gevangenisstraf. Kort daarop wordt hem door het staatshoofd gratie verleend.

Gratieverlening is echter nog geen vrijspraak. De strijd om volledig eerherstel zal nog jaren duren, maar de politiek en het publiek verliezen er geleidelijk hun belangstelling voor. De consolidatie van de Derde Republiek gaat alle aandacht opeisen. Pas in 1906 wordt het vonnis vernietigd en krijgt Dreyfus volledig eerherstel.

Gezagsgetrouw

Eind goed, al goed? Alfred Dreyfus zou later in zijn Souvenirs et Correspondances schrijven: “Ik had nooit getwijfeld aan deze triomf van de Justitie en de Waarheid over de vergissing, de leugen en de misdaad. Wat mij op de been heeft gehouden, is het ongeschokte geloof dat Frankrijk op een dag de wereld mijn onschuld zou verkondigen.” Dat mag dan gebeurd zijn, maar het heeft wel twaalf jaar geduurd.

Ook in zijn dagboek, Cinq années de ma vie, laat Dreyfus zich als een gezagsgetrouw man kennen. Zijn kleinzoon Jean-Louis Lévy schrijft in een nawoord dat Dreyfus zich aan het leger heeft gegeven, zoals een ander het klooster ingaat. Hij hield van uniformen en onderscheidingen en zijn patriottisch taalgebruik leek sprekend op dat van zijn beulen. Tegelijk maakten zijn onwankelbare overtuigingen over eer en vaderland het hem mogelijk zijn beproevingen op het Duivelseiland, de Franse Goelag uit die tijd, te doorstaan.

Dat de anti-Dreyfusards hem graag afschilderden als antipathiek en hypocriet, sloot wonderwel aan bij het toen gangbare cliché van de eeuwige jood. Ook vele aanhangers hadden, om andere redenen weliswaar, moeite met hem. Men vond Dreyfus ongeletterd en fantasieloos. Voor Clemenceau was Dreyfus 'zwaar onder de maat'. Na de aanvaarding door Dreyfus van de presidentiële gratie in 1899 raakte zijn aanhang diep verdeeld. Zijn nieuwe critici beschuldigden hem van medewerking aan een koehandel: gratieverlening in ruil voor amnestie van de hoofdofficieren die in 1894 achter het komplot zaten. Zolang Dreyfus verbannen was, kon hij bij zijn volgelingen geen kwaad doen, terug in Frankrijk begon hij wrok op te wekken.

In zijn dagboek repte Dreyfus met geen woord over zijn joods zijn. Hij had geen solidariteitsgevoelens met zijn rasgenoten en weigerde als joods slachtoffer te fungeren. Hij was een typisch produkt van zijn familie-achtergrond: abdicatie van de joodse bijzonderheid en streven naar integratie. Ook in het diepst van hun ellende hebben de Dreyfussen nooit overwogen een voorbeeld te nemen aan de bekering van Theodor Herzl. Tot de veroordeling van Dreyfus had Herzl alleen heil gezien in assimilatie. Maar de hetze die de affaire begeleidde had hem tot de overtuiging gebracht dat er voortaan alleen een zionistische oplossing voor de 'joodse kwestie' kon bestaan. Het nationalisme waarvan de joden het slachtoffer werden, heeft Herzl op het denkbeeld van een joodse natie gebracht. Curieuze paradox.

Het zionisme heeft onder de Franse joden weinig aanhang gekregen. Ook de kinderen en kleinkinderen van Alfred Dreyfus kozen voor assimilatie. Ettelijke nakomelingen zijn in de oorlog door de Duitsers vermoord. Opmerkelijk was de neiging van de overlevenden om alleen Hitler als schuldige aan te wijzen. De wil tot integratie in dit milieu woog zo zwaar, dat men de ogen probeerde te sluiten voor de verantwoordelijkheid van de Vichy-regering. Dat sinds de massale binnenkomst van Noordafrikaanse joden in de jaren zestig de strenge belijdenis van het judaïsme in de Franse joodse gemeenschap snel aan populariteit wint, een ontwikkeling die dus haaks op de integratie staat, moet hier buiten beschouwing blijven.

Spiegel

De Dreyfus-zaak maakte krachten in de Franse samenleving los, die zich al voor 1894 hadden aangediend. In dat licht bezien was het aantreden van een linkse regering in 1899 een logische ontwikkeling; het markeerde de beslissende overwinning van de Republiek op het leger en de kerk, de twee pijlers van de nostalgie naar het 'traditionele Frankrijk'. De rechtsstaat die tijdens L'Affaire zo met voeten was getreden, was versterkt uit de krachtproef gekomen. De scheiding tussen kerk en staat werd doorgevoerd, het leger moest zich bij de republikeinse wetten neerleggen.

De Dreyfus-affaire, met al haar onwettige aspecten maar ook met haar uiteindelijke goede afloop, is een authentiek Frans drama. François Mauriac noemde haar “een spiegel waarvan het teruggekaatste beeld verschrikkelijk is, en die ons met onze eeuwige trekken confronteert: de meest nobele en de slechtste”. Wat een constanten van de Franse volksaard komen we in de affaire tegen: de angst voor vreemdelingen, de hang naar hiërarchische verhoudingen, naar nationale grandeur, de drang naar veiligheid.

De historicus Jean-Denis Bredin heeft het in zijn magistraal geschreven standaardwerk L'Affaire over “de ambivalentie van dit volk, van Latijnse cultuur, van katholieke traditie, koortsachtig aan zijn gewoonten en erfgoed hangend, fanatiek, intolerant (...), altijd bereid te straffen, te onderdrukken, maar ook een volk dat door grote emoties wordt beroerd, dat snel wordt meegvoerd door het elan van de vrijheid, de ene dag in staat de onschuldige terecht te stellen, een andere dag om zich voor de onschuldige te laten doden.”

Rest de vraag of het antisemitisme een permanente trek van het Franse volk is. Een genuanceerd antwoord op die vraag is niet eenvoudig. Ik houd het erop dat de Fransen in bepaalde crisissituaties ontvankelijk zijn voor koortsaanvallen van antisemitisme, maar dat zij in rustiger tijden betrekkelijk ongevoelig voor deze ideologie van haat en minachting zijn. Bij de verkiezingen van 1893 speelde antisemitisme nog nauwelijks een rol. Maar bij de degradatie-ceremonie van Dreyfus begin 1895 schreeuwde het publiek 'Mort aux juifs'. In hun strijd tegen de Republiek hadden het leger en de kerk met succes een latent wantrouwen tegen joden kunnen mobiliseren.

Tegelijk is de jodenhaat in Frankrijk tijdens de Dreyfus-jaren nooit een officieel credo geworden. De regeringen in de periode 1894-1899 mogen dan wel de rechtsstaat aan hun laars hebben gelapt, zij hebben het antisemitisme nooit openlijk gesteund. De linkse partijen en vakbonden hebben zich na de eeuwwisseling blijvend van anti-joodse tonen bevrijd. Vanaf de eeuwwisseling tot de jaren dertig is het antisemitisme in Frankrijk een betrekkelijk marginaal verschijnsel gebleven.

Pas bij de economische crisis kwam de afkeer van vreemdelingen weer bovendrijven. Tijdens de Volksfront-periode stelden de bourgeoisie en de rechtse pers de 'jood' Léon Blum voor de economische rampspoed verantwoordelijk. De jodenvervolging die de regering in Vichy in 1940 afkondigde, kan niet los worden gezien van de nieuwe golf van antisemitisme die het optreden van het Volksfront had ontketend. Die episode zou een fataal voorspel blijken voor de rassenwetten van Vichy.

Vergelding

In La France de l'affaire Dreyfus, een bundel studies over de uitwerking die de zaak op het moderne Frankrijk heeft gehad, herinnert Pierre Birnbaum er aan hoe weinig tijd er in feite heeft gelegen tussen de Dreyfus-affaire en de Vichy-periode. Velen die de affaire als jong-volwassenen hadden meegemaakt, zouden later hoge functies in de Vichy-regering bekleden. Toen Charles Maurras, de oprichter van L'Action Française, op zijn proces in 1945 zijn vonnis hoorde, riep hij uit: “Dat is de vergelding van Dreyfus.”

Maar betekent dit dat er een causaal verband zou bestaan tussen de antisemitische agitatie aan het eind van de negentiende eeuw en de jodenvervolging van het Vichy-bewind? Het antisemitisme van het fin-de-siècle was geen op zichzelf staand incident, schrijft Georges Bensousson in L'idéologie du Rejet. De jonge generaties werden toen intellectueel doordrenkt van oproepen tot haat jegens de joden. Het antisemitisme ging tot de dagelijkse orde behoren en werd een geestesgesteldheid die de aanvaarding mogelijk maakte van besluiten die, in vroeger tijden, als stuitend zouden zijn beoordeeld.

Mogelijk ging die these voor de oorlogsjaren op, maar zij is niet meer bruikbaar voor de jaren negentig. Het antisemitisme is al geruime tijd een betrekkelijk marginaal verschijnsel in Frankrijk. De uiterst rechtse pers leidt een kommervol bestaan. De rooms-katholieke kerk heeft afstand genomen van haar anti-judaïstische instelling. Maar het zijn vooral de genocide van de nazi's en de medeplichtigheid van Vichy hierin, die het antisemitisme in Frankrijk in discrediet hebben gebracht. Nu openlijke afkeer van joden niet meer salonfähig is, probeert een latent antisemitisme in Frankrijk zich respectabel voor te doen door zich achter een anti-zionisme te verschuilen. Vergeleken met het Mort aux juifs van honderd jaar geleden, zou van een vooruitgang kunnen worden gesproken.

    • Pierre Auwerick