DE VERSPLINTERING VAN FRANKRIJK

In een seconde is het gebeurd. Volle bierflesjes spatten uit elkaar. Stenen vliegen door de ruiten. Tien, vijftien jongens, de hoofden verpakt in bivakmutsen, helmen en PLO-sjaals, knuppelen de laatste winkelruiten weg en klimmen naar binnen. Links en rechts trekken zij vitrines en vrieskasten om ver. Vóór zij naar buiten hollen vinden sommigen nog tijd een geglazuurde kersenpunt uit te kiezen. De Patisserie Minzière in de Rue de la Glacière is geruïneerd.

Als vijf minuten later de oproerpolitie CRS op een holletje arriveert is bij de winkel alleen de banketbakker nog te zien. Het schelden is hem vergaan. Verderop in de straat staan tientallen auto's met ingedeukte voorruiten na te druipen: de knokploegen van het Franse jongerenprotest hebben wel blikken olie over de auto's leeggegoten maar niet de zorg opgebracht ze allemaal aan te steken.

De laatste demonstratie in deze maartmaand van verzet is de meest gewelddadige geworden. De optocht van donderdag was aangekondigd als een overwinningsfeest. De buit was binnen: premier Balladur had het gehate plan voor een minimumjeugdloon woensdag ingetrokken. Na weken manhaftig stand houden door de regering - “zoals in Verdun” - en terugkrabbelen. Studenten en scholieren wilden dus wel vreedzaam demonstreren. Maar zij waren niet de baas over hun eigen manif.

Zodra de optocht bij het eindpunt is, de Place Denfert Rochereau, iets ten zuiden van de begraafplaats van Montparnasse, maken de jongeren van het andere Frankrijk zich los van het peloton. Zij hebben het gemunt op politie en journalisten. Een cameraman van France 2 wordt mishandeld, zijn motorfiets in brand gestoken. Onder het toeziend oog van de oproerpolitie vliegen de eerste stenen naar de omliggende gebouwen.

Een winkel voor draagbare telefoons is een ideaal doelwit. Een minuut later verraadt alleen het fluiten van de zonwering achter de kale sponningen dat er bezoek is geweest. Er moeten 's avonds heel wat jongens voor het eerst een draadloos gesprek hebben geprobeerd. De brasserie Denfert is het volgende slachtoffer. De aanvallers selecteren niet volgens een maatschappijkritisch schema. Niets wordt ontzien. Het terrasmeubilair brandt goed.

Urenlang duiken in de omliggende straten ploegjes razendsnelle casseurs op, zo te zien tussen 15 en 22 jaar oud, deels met wat gedateerde punkplukken. De meesten met kort tot angstig kort haar en een universele stadsdracht waarin zwart overheerst. Zij maken geen georganiseerde indruk, maar zij weten wat ze wèl en niet willen: maximale schade, minimale pakkans.

Na vorige demonstraties wisten Franse bladen te melden dat veel stenengooiers gewone lyceïsten waren die nog bij hun ouders wonen. De slopers van donderdag wonen misschien ook nog thuis, maar dat zij regelmatig een school bezoeken is niet waarschijnlijk. Als de veldslag van Denfert Rochereau iets heeft duidelijk gemaakt is het wel dat er een kloof gaapt tussen verontwaardigde jongeren mèt en verontwaardigde jongeren zònder toekomst.

Het woord 'jeugd' alleen al. Het doet zo oud aan. Maar het is waar: de Franse jeugd is in opstand. In 1968 was Balladur de rechterhand van Pompidou tijdens de studentenrevolutie. Nu staat hij alleen achter de vitrage. Hij hoopt dat zijn Palais Matignon geen doelwit wordt. Is in Frankrijk dan niets veranderd in 26 jaar? Voert de tweede generatie een herhalingsoefening op van de Verbeelding aan de Macht waarmee hun pappies en mammies de autoriteiten de stuipen op het lijf joegen?

Als daar één man bang voor is, dan Edouard Balladur. Deze week was het één jaar geleden dat Balladur, met een spectaculaire meerderheid in het parlement aan de redressement de la France kon beginnen, na 'jaren socialistisch wanbeheer'. Na een maandenlange wittebroodstijd in de opiniepeilingen is hij dit voorjaar met een paar fikse dreunen op aarde geland. De gezalfde, de bestuurder met de schone handen, staat met het zweet op het voorhoofd. Zijn onmacht is geen geheim meer.

Rustig en competent wilde deze geboren pragmaticus het land weer op orde brengen. Het begrotingstekort aanpakken. De gaten in de sociale zekerheid dichten. Afrekenen met het gemak waarmee veel staatsbedrijven tot verlieslijdende centra van zelfgenoegzaamheid en verworven rechten zijn geworden. De financiële rampen van Air France, Bull, Crédit Lyonnais zouden tot het verleden behoren.

Met on-Frans gevoel voor overleg en souplesse ging hij aan het werk. Wie veel wil, moet op zijn tijd ook van wijken weten. Reculer pour mieux sauter. Ondanks hoon uit het buitenland wist de minister-president in oktober na twee weken zonder luchtverkeer de stakers bij Air France van de startbanen te vegen, door de directeur en zijn plan uit de strijd te nemen. In dezelfde stijl praatte hij de woedende Bretonse zeemannen met een zak geld hun bootjes weer in. Hij klaagde wel eens zachtjes dat het moderniseren van Frankrijk niet meeviel. Dat hij aan het hoofd stond van “een geblokkeerde samenleving”, waarin iedereen piepte die een klein beetje moest inschikken voor de goede zaak. Maar aan hem zou het niet liggen. Moedig voorwaarts. De werkloosheid steeg al minder snel dan tijdens de vorige regering. Op de AOW was bezuinigd zonder dat iemand het in de gaten had. Alles zou beter worden. Vooral als hij volgend jaar president mocht worden.

Zijn aanpak werd op den duur doorzien. In december werkte het nog: de nauwelijks democratische boeren werden met miljoenen francs afgekocht. Het in veel hoofdsteden als irritant ervaren hoog spel op het GATT-schaakbord wierp vruchten af. Frankrijk sleepte er een wereldhandelsakkoord uit dat ook Europa wat zelfvertrouwen gunde.

Maar in januari ging het fout. Met een relatief kleine wijziging in de 150 jaar oude Loi Falloux, over de financiering van het privé onderwijs, haalde de regering zich een onverwacht venijnige protestbeweging op de hals. Dat was het eerste signaal voor de in maart '93 smadelijk verslagen krachten van links: de regerende conservatieven bleken niet onaantastbaar. Velen die weinig op hadden met de socialisten, de communisten en de gedesorganiseerde vakbeweging gingen de straat op. Hun school-voor-iedereen was in gevaar. Balladur trok ook dit plan in toen het hem te heet werd. Maar hij las de tekens van deze betrekkelijk a-politieke golf van verontwaardiging slecht.

Balladurs zwakte is niet zo zeer dat hij terugdeinst voor ongeordend protest. Hij heeft vooral onvoldoende gevoel voor het nieuwe Frankrijk dat is ontstaan terwijl hij zich bestuurlijk bekwaamde in het oude Frankrijk. Daarom behandelt hij de werkloosheid (ruim 12 procent gemiddeld, 25 procent bij jongeren onder de 25) als een klassiek economisch probleem dat is op te lossen door het land uit het dal te kopen. Zonder de Fransen de wacht aan te zeggen van een nieuwe wereld waarin alle landen met elkaar concurreren en volledige werkgelegenheid voor iedereen veel fantasie en flexibiliteit vereist.

Niemand denkt dat met de intrekking van het minimumjeugdloon de rust terugkeert. De klap valt meestal ergens anders dan waar iedereen hem verwacht. Logisch zou een uitbarsting zijn in de verouderd-moderne voorsteden met hun licht ontvlambare mengsel van immigratie, desoriëntatie, werkloosheid en supreme lelijkheid. Maar het waren de relatief kansrijke scholieren en studenten die het kruitvat dit keer hebben aangestoken. Zij maakten deze maand de dienst uit met hun protest tegen het einde van de diploma-maatschappij. Het klonk naar geld, maar het ging over toegang tot de toekomst. En zij hielden vol, tot groeiende vertwijfeling van de mannen in grijze pakken en dienstauto's die zichzelf heel serieus nemen in Frankrijk.

Na weken lopen met spandoeken zaten zij maandagochtend opeens op de koffie bij de minister-president, met op hun trui de button 'Edouard m'a tuer' (een verwijzing naar het proces tegen de Marokkaanse tuinman wiens werkgeefster 'Omar m'a tuer' op de kelderdeur had gekrast met haar eigen bloed). En dinsdagavond nuttigden de grondleggers van deze revolutie, de meesten van het Parijse Institut Universitaire de Technique aan de nette Avenue de Versailles, onverwacht wijn, slaatjes en worst met minister van arbeid Giraud, die verantwoordelijk is voor het succes met het minimum-jeugdloon. “Zeg maar Michel”. Een verkeerde bladzijde uit het Handboek Jongerenprotest.

Zij staan er na de manifestatie verslagen bij, de patron van Maison Beauregard en madame. Hun winkeltje in produits régionaux aan de Boulevard Arago ligt in puin. Twee jonge demonstranten helpen hen de scherven tussen de patés, de schapekaasjes-in-druivebladeren en de bijzondere jampotjes uit te vissen. Gelukkig is er mededogen. Maar de alpinopet van meneer Beauregard staat op verbijstering. Is er voor zijn France Profonde in Parijs geen plaats meer?

Het Frankrijk waar het leven goed is, staat voortdurend op het spel. De gemiddelde stads-Fransman vindt het best dat er steeds weer extra geld gaat naar boeren en vissers. Een uiting van nostalgie, maar ook van liefde voor een land dat trots is op zijn eigen smaak, kleur en taal. Het is een liefde die de kleine man deelt met de gehaaste middenklasse en de elite met het oude geld, die altijd in de stad en op het land heeft gewoond.

Daarom was de GATT-tamboer waar Balladur en zijn minister van buitenlandse zaken Juppé - de coming man van modern rechts - in de herfst van 1993 op speelden zo'n samenbindend instrument. 'Wij willen niet veramerikaniseren', was de boodschap. Een doven-dialoog tussen Gérard Depardieu en Sylvester Stallone. Vrijwel niemand rook de valse geur van isolationisme in de campagne. Geen Fransman vroeg zich in die euforie hardop af of de inzakkende werkgelegenheid soms mede het gevolg was van het ontkennen van de realiteit. Azië mag dan in opkomst zijn, maar alleen als afzetmarkt, als aantrekkelijke bestemming voor het reisbureau Nouvelles Frontières. Niet om goedkopere vis en auto's te laten importeren. Geen kunstenaar die beweerde dat de Franse cultuur sterk genoeg is om zich zonder muren staande te houden.

De miljoenen in de banlieue en zelfs de jonge studenten aan al die nieuwe technische universiteiten en hogescholen zal het allemaal een zorg zijn. Zo verschillend als hun kansen zijn, zij delen met elkaar de kleding en de muziek. En een gevoel van uitsluiting. Zij voelen zich buiten de verzorgingsstaat gezet, net nu zij voor de poort staan. Het nu geschrapte 'babyloon' was de betrekkelijk willekeurige aanleiding om die woede los te maken.

De net ingediende taalwet van minister van cultuur Toubon is een zoveelste inbreuk op hun levensstijl: zij willen geen verbod van hogerhand krijgen om te rappen in 'franglais'. Het phone-in radioprogramma over seks en andere wereldkwesties op Fun Radio moest verdwijnen. Totdat er de volgende dag duizenden tieners voor de deur van de zender stonden. Dat was het zoveelste bewijs dat leidend Frankrijk bang is voor zijn kinderen.

Is het dan toch weer 1968? Michel Wieviorka is directeur van de Ecole des Hautes Etudes Sociales. Hij ziet vooral verschillen. Toen brachten de actievoerders aan de Sorbonne de strijd snel op een hoger plan. “Het werd een anti-kapitalistisch verzet, een flamboyante revolutie waarin schouder aan schouder gestreden werd met de werkende klasse. Nu zijn er niet van dat soort samenbindende thema's en elementen. Bovendien was er een duidelijke eenheid in het actiefront. Nu ontbreekt iedere integratie. Je ziet allerlei soorten boze jeugd die weinig of niets met elkaar te maken hebben. Het verzet is versplinterd.

“Wij zijn sinds '68 in een postindustriële samenleving terecht gekomen, waarin de vakbeweging een veel minder dominante rol speelt. De grote tweedeling is nu die tussen werkenden en degenen die buitengesloten zijn. De politieke scheidslijnen van toen zijn verdwenen. Links was voor de werkende klasse, rechts voor de werkgevers. Je hebt er een soort nationaal populisme bij gekregen in de vorm van het Front National. Het politieke beeld is onoverzichtelijk geworden.

“De instituties van de Republiek en daarmee de verzorgingsstaat zijn in gevaar. Er heerst een enorm gevoel van onzekerheid. We hebben meer dan drie miljoen werklozen. Ook dat was in '68 allerminst het geval. En tenslotte is onze hele culturele identiteit aan het oplossen. Toen was iedereen in de eerste plaats Fransman. Of je daarbij joods, Bretons of Baskisch was, dat was een privé-zaak. Nu eist een rabbi dat er bij verkiezingen die samenvallen met de sabbat, schriftelijk gestemd mag worden. Dat was vroeger ondenkbaar. In '69 spraken we over 'gastarbeiders', nu over arabieren of moslims.

“Noch links noch rechts hebben een vocabulaire en een wijze van denken ontwikkeld die deze nieuwe samenleving aankan. De politiek wil de ingrijpende wijzigingen in onze cultuur niet inzien. Men leeft krampachtig onze model-Republiek na, al is die hopeloos verzwakt. De samenleving is sneller veranderd dan ons politieke systeem. Fransen willen dat er eindelijk naar ze geluisterd wordt.”

Deze week hebben acht van de zestien vakbonden bij Air France het laatste reddingspakket voor de noodlijdende staatsluchtvaartmaatschappij verworpen. Weliswaar werd vorig jaar meer dan twee miljard gulden verlies geleden, en bedraagt de totale schuld 12,3 miljard gulden, maar zij willen niet meewerken aan afslanking en rationalisatie. Een eerste piloot verdient er 27.000 gulden per maand. Ook voor de overige vliegende dragers van de Franse driekleur zijn de salarissen te goed en de werktijden te aangenaam voor compromissen.

Het is een goed voorbeeld van wat de socioloog Alain Touraine (Wieviorka's voorganger aan de EHESS) deze week in de Le Monde bedoelde toen hij schreef: “Wij betalen de prijs voor een verstikkend corporatisme en een algehele verzwakking van ons vermogen om ons een voorstelling te maken van de noodzakelijke veranderingen, daarover te besluiten en te onderhandelen.” Volgens Touraine ziet de Franse samenleving zichzelf tegenwoordig voortdurend als slachtoffer, nooit als actor.

Er zijn ook mensen die hoop putten uit de gebeurtenissen van deze maand. Pierre Encrevé is al jaren onbezoldigd medewerker en vertrouweling van Pierre Rocard, de man die volgend jaar presidentskandidaat voor de socialisten hoopt te worden. Encrevé is geen partijlid maar desondanks Rocards verbindingsman met de werelden van kunst, geloof en cultuur. In het fameuze jaar 1968 kreeg hij zijn eerste aanstelling aan de Sorbonne, waar hij hoogleraar in de linguistiek is.

“Al die kranten die schrijven dat het gaat om de wanhoop van de jonge generatie... Het is andersom. Het zijn de ouderen die wanhopig zijn. De jeugd is vol hoop en energie. Zij accepteren het niet dat de leidende generatie het niet meer weet en terugwijkt voor uitdagingen uit het Westen en uit het Verre Oosten. Zij willen de wereld veranderen.

“Na De Gaulle, Pompidou en 1968 is er veel veranderd. De Nieuwe Samenleving van Chaban Delmas is gekomen. Met Jacques Delors heeft hij gebouwd aan een moderner Frankrijk. De universiteiten zijn gedemocratiseerd. Radio en televisie zijn opengegooid. 1968 was de dageraad van het herontdekte socialisme in Frankrijk. Daarom is de mobilisatie van de jeugd zo bemoedigend. Het is de volgende etappe.

“Deze studenten en scholieren zijn opgegroeid tijdens tien jaren socialistische regeringen. Zij weten niet beter dan dat er een fatsoenlijke verzorgingsstaat is. Nu zien zij Balladur opeens van alles afbreken. Deze jongeren hadden zich nooit gerealiseerd wat rechts was. Door de consensus te doorbreken heeft Balladur de kracht van de jeugd losgemaakt. Zij zien democratie en solidariteit als norm opeens aangevallen. Deze jongeren zijn burgers in de ware zin van het woord. Dat heeft niks met rechts of links te maken. Na twee eeuwen waarin de Liberté en de Egalité redelijk zijn gevestigd, komen we nu toe aan het derde strijdmotto van de Franse Revolutie: de Fraternité.”

    • Marc Chavannes