De urn heeft meer mogelijkheden dan de consument zich realiseert

Tot aan 1955 was lijkverbranding in Nederland onwettig, zij het niet strafbaar. Inmiddels worden in ons land bijna evenveel mensen begraven als gecremeerd. Cees van Raak vindt dat ondanks de verruimde wetgeving maar weinigen beseffen hoeveel mogelijkheden er zijn om van de laatste reis een bijzondere gebeurtenis te maken.

De voorlichting over begraven en cremeren schiet schromelijk tekort. Weinig mensen weten wat mag en kan sinds de nieuwe Wet op de Lijkbezorging van 1991, of wat de mogelijkheden zijn met een urn, waar inmiddels diverse bestemmingen voor bestaan. De belangstelling voor de laatste reis is groter dan ooit en het uitvaartwezen kan met de nieuwe ontwikkelingen zichzelf en het publiek een goede dienst bewijzen. In sommige ondernemingen is de klant dan ook eindelijk weer koning.

Een urn kan geplaatst worden in een columbarium van een crematorium of begraafplaats. Maar ook kan zij in een familiegraf worden bijgezet, onder een steen worden begraven, of bovengronds staande worden neergezet, samen met andere in een urnenveld. Er bestaan crematoria, maar ook begraafplaatsen die een dergelijk urnenveld hebben. Een urn mag overigens ook mee naar huis worden genomen. In feite is er een terugkeer van het gebruik van de reeds eeuwenoude urn, zowel bovengronds als ondergronds. Begraven en cremeren zijn elkaar, net als in de oudheid, weer dicht genaderd.

Sinds de Bronstijd kwam in veel culturen zowel het begraven als het verbranden van de doden voor. Zo werden reeds in de hunebedden (Late Steentijd/Bronstijd) urnen bijgezet met de as van de doden die elders waren verbrand. Uit diezelfde tijd stammen grafvelden met skeletten. Ook de latere volkeren der Grieken, Romeinen, Germanen en Kelten (onder wie Galliërs en ook 'onze' Bataven) kenden beide manieren van dodenbezorging. Men kende het gebruik van velden met begraven urnen, maar vooral de Romeinen maakten gebruik van de zogeheten columbaria (letterlijk: duiventillen): bovengrondse opslagplaatsen voor de asurnen.

De joden en de christenen (en weer later de mohammedanen) begroeven hun doden altijd vanwege hun geloof in de wederopstanding. Door het Oude Testament (oftewel de Tenach voor de joden) en het Nieuwe Testament werd de teraardebestelling een onontkoombare verplichting, want de doden zouden op de Dag des Oordeels opstaan uit de aarde. Dit gold vooral voor de late Middeleeuwer (zie bijvoorbeeld Ezechiël 37, 1-14). Maar zeker ook telde mee dat in de gehele bijbel vrijwel altijd sprake is van begraven. In slechts twee gevallen komt lijkverbranding voor: in het ene de verbranding van een misdadiger, in het andere geval een door oorlogsnood afgedwongen verbranding.

Op het Concilie van Paderborn in 784 verbood de Frankische vorst Karel de Grote (742-814) iedere vorm van de oude heidense godsdienst der Germanen. Het lot van met name de Saksen werd hiermee bezegeld. Hun priesters en waarzeggers moesten aan de koninklijke rechtbanken worden uitgeleverd en bijeenkomsten onder de blote hemel werden verboden. De christelijke kerk diende de hoogste eer te krijgen, die tot dan toe de heilige wouden was toegevallen. De doden mochten niet meer worden verbrand, hun as mocht niet meer in de heuvels worden bijgezet. Een vaste begraafroute diende gevolgd te worden. Ook doop, vastentijd en kerkbezoek werden op straffe des doods verplicht.

Omstreeks het midden van de vorige eeuw werd door de opgekomen romantische interesse voor het klassieke en oudgermaanse verleden ook de lijkbezorging van antieke volkeren een onderwerp van studie. Maar dit kan ook worden gezien in het verlengde van de achttiende-eeuwse strijd tegen het begraven in de kerk en binnen de woongemeenschap; het was een belangrijk, hygiënisch aspect van het Verlichtingsdenken.

In een voordracht bracht Jacob Grimm ('Üeber das Verbrennen der Leichen. Eine Vorlesung', Berlijn 1850) bijeen wat er bekend was uit historische, taalkundige en archeologische bronnen over het ideeëngoed rondom het verbranden van doden. In een kort afsluitend woord toonde hij zich een voorstander van herinvoering van de lijkverbranding. Grimms voorstel vond weerklank bij een grote groep van wetenschappers en intellectuelen, in het bijzonder medici.

Op medische congressen in Florence (1869) en Rome (1871) werd in naam van de openbare gezondheid en de beschaving gepleit voor legalisering van de lijkverbranding. Vooral dankzij de invloed van de Vrijmetselaren, en ondanks het verweer van de rooms-katholieke kerk, werd in 1873 in Milaan het eerste Europese crematorium gebouwd. Het jaar daarop kwam in Engeland een vereniging voor crematie en in 1884 verklaarde men crematie wettig. In 1886 volgde de Franse regering dezelfde weg en in hetzelfde jaar opende het crematorium op begraafplaats Père Lachaise zijn deuren. Duitsland sloot zich in 1878 aan met het crematorium te Gotha, alwaar negen jaar later de eerste Nederlander gecremeerd werd: Eduard Douwes Dekker.

Hier te lande was men pas in 1869 tot een eerste systematische wetgeving op het gebied van de lijkbezorging gekomen. Om te voorkomen dat het lijk voorwerp werd van afkeurenswaardige handelingen (zoals ontvlezing en op sterk water zetten) werd expliciet in de wet gesteld dat het lijk binnen vijf dagen begraven moest worden.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel speelde de discussie over lijkverbranding nog geen rol van betekenis, maar een paar jaar later, in 1874, werd in Den Haag een Vereeniging tot invoering der lijkverbranding in Nederland opgericht door een groep van vooraanstaande randstedelijke burgerintellectuelen. Deze vereniging ijverde voor een wetswijziging waardoor lijkverbranding mogelijk zou worden.

In afwachting van de gebeurtenissen in parlement en regering ging de Vereeniging geld inzamelen om een door haar geëxploiteerd crematorium van de grond te krijgen. In 1913 verrees op de begraafplaats Westerveld in Velsen het eerste Nederlandse crematorium. Om een proefproces uit te lokken werd in 1914 de eerste Nederlander - een voormalig voorzitter van de vereniging - aldaar gecremeerd. De 'daders' werden vervolgd, maar in hoogste instantie werd bepaald dat lijkverbranding weliswaar onwettig was maar niet strafbaar. Deze uitspraak opende voor de vereniging de mogelijkheid om door te gaan met de exploitatie van het crematorium. Ondershands werden tussen Justitie en vereniging afspraken gemaakt over een juiste begeleiding en afhandeling van de verbrandingen. Deze merkwaardige situatie bleef tot 1955 bestaan. Pas in 1954 verrees er een tweede crematorium in Nederland, namelijk te Dieren. Vooral na 1968 heeft de crematie zeer veel aanhangers gekregen, het jaar van de wettelijke gelijkstelling van begraven en cremeren.

Nederland kent momenteel circa zesenveertig crematoria, en het aantal zal ondanks stagnering van het percentage crematies, stijgen. De bestaande crematoria kampen al sinds enige tijd met een overcapaciteit en toch kiezen diverse gemeenten nog voor de bouw van een crematorium op hun grondgebied, met als argument dat de burgers daarom vragen. Maar de doorslaggevende reden is dat het gemeentebestuur hiermee hoopt het bijna immer aanwezige exploitatietekort op de algemene oftewel gemeentelijke begraafplaats te kunnen bestrijden.

Ongeveer vijfenveertig procent van de overledenen wordt gecremeerd. Dit percentage stijgt dus niet meer. Tachtig procent hiervan kiest (nog) voor de haast typische sobere Nederlandse variant: verstrooiing. Er blijft niks meer achter, geen plek met een steen of beeld waar men naar terug kan keren, om de rouw te verwerken, om zich de geliefde te herinneren. Volgens de genoemde Wet op de Lijkbezorging moet dit op daartoe aangewezen plekken gebeuren, zoals op het verstrooiingsveld bij het crematorium of begraafplaats, hoewel er geen sanctie is opgenomen ingeval men zich hier niet aan houdt.

Veel minder vaak komt verstrooiing op zee voor. Dit gebeurt onder toezicht van een beëdigd ambtenaar, vijf mijl uit de kust, mits de stroming niet landinwaarts is gericht. Vooral in hindoestaanse kringen wordt hiervoor wel gekozen: het zeewater zal zich eens verenigen met het water van de heilige Ganges. Ten slotte kennen we op beperkte basis het verstrooien boven zee. De as, per dode toch zo'n twee tot viereneenhalve kilo, werpt men uit een vliegtuig.

Aan de ene kant is er het angstwekkende idee van het ontbindende lichaam, aan de andere kant het totale niets dat knaagt. Renate Rubinstein verwoordde in haar postuum verschenen 'Mijn betere ik' (1991) dit voor veel mensen spelende dilemma: “Dood zijn. Kun je van Simon (Carmiggelt, CvR) zeggen dat hij dood is? Hij is dus ergens maar daar is hij dood. Waar dan? Hij is verbrand, ik ben zelf bij de crematie geweest. Hij is nergens. Vroeger zeiden schrijvers: hij is niet meer. Deze ouderwetse uitdrukking is eigenlijk de beste, vind ik. Hij is niet meer. Punt uit. (...) Nooit eerder meegemaakt dat iemand wiens geliefde lichaam ik zo goed gekend heb lijk werd. De eerste weken dacht ik aan dat lichaam en was blij dat ik dank zij die crematie niet hoefde te denken aan de toenemende staat van ontbinding ervan. (...) Doordat hij gecremeerd werd ontbreekt er eigenlijk een graf om bloemen op te leggen. In plaats daarvan leggen de fans nu hun bloemen voor zijn borstbeeld, terwijl ik dit schrijf nog elke dag. Wat voor Nederlanders ongewoon is.”

Dat het bewaren van de as in een urn zal toenemen, past bij de opgeleefde interesse voor de dood, zoals die zich de afgelopen jaren in Nederland manifesteert. Nieuwe rituelen zijn ontstaan rondom het laatste afscheid. Meer en meer kiest men bewust voor een persoonlijke uitvaart. Rouwkaarten worden zelf ontworpen, de muziek voor de mis zorgvuldig uitgekozen, vrienden die de kist zullen dragen (denk bijvoorbeeld aan het afscheid bij de veelal jonge aids-patiënten).

Het uitvaartwezen dient hier op in te spelen en de zo gewenste service, voorlichting, faciliteiten aan te bieden.