De lente is bleek in de Panshirvallei

De Panshirvallei groeide in de jaren tachtig uit tot een symbool van het Afghaanse verzet tegen het Sovjet-leger. Inmiddels is de rust teruggekeerd in het dal, maar het herstel komt slechts tergend langzaam op gang.

KHENJ, 2 APRIL. In het nauwe dal van de kolkende Panshir aan de voet van de machtige bergen van de Hindu Kush, breekt na een lange winter onstuimig de lente door. Beneden in het dal heeft het wit van de sneeuw plaats moeten maken voor dat van de tere bloesems van de amandel en moerbeibomen. Vrouwen schuifelen voorbij in burqa's, spookachtige gewaden met slechts een tralie-achtige venstertje voor de ogen. Bebaarde mannen in kaftans en andere gewaden komen naar buiten om op straat hun vrienden te begroeten. Hartelijk zoenen zij elkaar op de wangen en informeren bij herhaling bezorgd of de ander het werkelijk goed maakt, alsof zij het niet kunnen bevatten dat een mens verschoond blijft van tegenspoed.

Feit is dat de Panshiri's de afgelopen vijftien jaar veel leed hebben gekend. De littekens van de lange strijd tegen de Sovjet-Unie en haar communistische vazallen in Afghanistan zijn vijf jaar na de aftocht van de laatste militairen van het Rode Leger nog alom aanwezig. De dorpjes in de prachtige, vroeger zo welvarende vallei ten noordoosten van de hoofdstad Kabul bestaan vaak voor meer dan de helft uit ruïnes.

De oevers van de rivier zijn bezaaid met de verroeste wrakken van honderden tanks, pantserwagens en ander oorlogstuig. Hier en daar moeten de boeren met hun ossen om de zware gepantserde gevaarten op hun land heenploegen, ze missen het gereedschap om die weg te halen. Elders heeft men rupsbanden gebruikt als bestrating of dient de geweerloop van een tank als paal onder een afdak.

De Panshirvallei vormde in de jaren tachtig een symbool van het Afghaanse verzet tegen de communistische bezetting van het land. Hier werd een prestigestrijd uitgevochten, die van levensbelang was voor het moreel aan beide zijden. Het was het 'Stalingrad' van Afghanistan. Hoewel de Russen hun beste militairen en hun beste materieel naar de Panshirvallei zonden, slaagden zij er nimmer in het dal volledig onder controle te krijgen.

In een klassieke guerrilla-oorlog maakten lokale strijders onder leiding van Ahmed Shah Massoud, bijgenaamd de Leeuw van de Panshir, het leven voor de veel beter uitgeruste Russen en hun Afghaanse bondgenoten zo zuur mogelijk. De wrakstukken vormen het stille bewijs van hun succes.

Vanuit de verte volgden de overige Afghanen de verrichtingen van de Panshiri's met bewondering. De circa 250.000 valleibewoners betaalden echter een hoge prijs voor hun verzet. Duizenden verloren het leven en tallozen zagen hun woning in puin veranderd. “Velen herkenden hun eigen huis en land niet meer, toen ze na het vertrek van de Russen terugkeerden”, zegt Mahmud Zaboor, een voormalige guerrillastrijder in Khenj, die zich thans generaal mag noemen.

Stonden de Panshiri's bij de strijd tegen de Russen vooraan, bij de wederopbouw is daarvan geen sprake. Degenen die het zich konden veroorloven herbouwden hun huizen, maar velen misten hiervoor de middelen. Het herstel van de openbare voorzieningen laat al jaren op zich wachten.

Van hun eigen held, Massoud, wiens portret op allerlei muren prijkt, moeten de valleibewoners het niet hebben. Die heeft in Kabul zijn handen vol aan de strijd met zijn Pathaanse rivaal Gulbuddin Hekmatyar. Maar de meeste Panshiri's hebben begrip voor de positie van Massoud. “Hij wil niet alleen voor de Panshirvallei werken maar voor het hele land”, zegt een man. “Dat weet iedereen hier.” Niettemin zijn sommige arme Panshiri's teleurgesteld dat hun machtige leider zijn eigen mensen niet meer hulp biedt. Troost biedt de omstandigheid dat Massouds eigen huis nabij Bazaraq ook nog grotendeels in puin ligt.

De hulp uit het buitenland voor de Panshir is al evenmin rijkelijk, zeker in vergelijking met het door Hekmatyar beheerste oosten van Afghanistan. Er worden een paar kliniekjes verzorgd en er zijn, met Arabische steun, enkele lagere scholen in aanbouw. In Khenj maakte de nieuwe Afghaanse regering een begin met de bouw van een middelbare school, maar door het ontbreken van fondsen is ook die voor onbepaalde tijd opgeschort. Nabij Khenj staat verder nog een nieuwe moskee in de steigers.

De vallei is vruchtbaar genoeg om zijn bewoners in leven te houden, daarvoor staan de frisgroene tarweveldjes, de vruchtenbomen en het vee garant. Maar het blijft ploeteren voor de bevolking. Te meer omdat de afgelopen maanden veel naar Kabul verhuisde Panshiri's zijn teruggekeerd naar hun geboortestreek wegens de aanhoudende gevechten in de hoofdstad. De verloren zoons en dochters werden gastvrij ontvangen, de voedselprijzen gingen er echter onmiddellijk door omhoog. Voorlopig is het slot van het sprookje van de dappere Panshiris die machtige buitenlandse indringers wisten te verdrijven, nogal dof.