Broedplaats Blijdorp; Fokken in moderne dierentuin steeds belangrijker

Begin mei verhuizen de olifanten van Blijdorp naar hun nieuwe verblijf. Het betekent een nieuwe stap op weg naar een volledige metamorfose van de Rotterdamse diergaarde. Blijdorp geniet wereldfaam dankzij de olifanten, apen, haaien en vleermuizen die hier worden geboren en afgestaan aan andere dierentuinen. 'Overal ter wereld huizen dieren van Rotterdamse komaf.'

Zijn buurman de boskat slaapt nog als Frodo's laatste uur in Diergaarde Blijdorp is aangebroken. Terwijl buiten de hekken het spitsverkeer op gang komt, ligt de lichtbruine elandantilope nietsvermoedend in zijn nachthok. Om zeven uur, nog voor de ochtendschemer is geweken, wordt zijn rust abrupt verstoord. Drie mannen drijven de bok door de deur, die ditmaal geen toegang geeft tot het open veld. In plaats daarvan komt hij terecht in een uit stevig latwerk samengestelde hoge kist. Tien minuten later staat het gevaarte op een vrachtwagen met bestemming België.

Hiermee komt een eind aan de jongelingsjaren die Frodo in alle rust doorbracht met moeder Grietje en een tante. Nu, in het zicht van zijn derde verjaardag, is de tijd rijp voor een nieuwe standplaats. De keus viel op Planckendael bij Mechelen, een dierentuin waar tien vrouwelijke soortgenoten tot nu toe in onthouding leven. De komst van de nieuwe bewoner met zijn pluizige vacht en pluimstaart moet daar, zonder gevaar voor inteelt, verandering in brengen.

Voor de auto vertrekt, wordt de kist met inhoud grotendeels bedekt door een zeil. “Dat geeft meer rust”, zegt verzorger Henk van Hof. “Dat kan belangrijk zijn, want deze dieren zijn gauw van slag. Een paard-antilope die op weg ging naar Kopenhagen sprong eens van de zenuwen dwars door het dak. Wat dat betreft kan je beter kamelen vervoeren, die zijn zo suf als een konijn. Van vrouwtjesantilopen heb je ook nooit last, maar met bokken blijft het oppassen. De vader van Frodo, die intussen is overleden, raakte ooit uit zijn doen doordat bezoekers de beesten aan het voeren waren. Een zebra die hem toen in de weg stond, ging hij met zijn horens te lijf: als een dolk drongen ze recht in het hart.”

Deze ochtend verloopt zonder incidenten. Chauffeur Gert de Waardt heeft in de loop van de jaren voor moeilijker opgaven gestaan. Als de Van Brienenoordbrug nog maar net is gepasseerd, vertelt hij over het transport van olifanten en neushoorns: dieren die na wekenlange voorbereiding in een hok worden gelokt dat vervolgens met behulp van een kraan een plaats krijgt op een dieplader. Andersoortige problemen doen zich voor met zeeleeuwen die onderweg, om uitdroging te voorkomen, op gezette tijden moeten worden besprenkeld met water. “Vergeleken daarmee is dit een routine-klus, alles loopt volgens plan”, aldus De Waardt. Wanneer we stoppen bij een benzinestation blijkt zijn opmerking juist: de blik in Frodo's donkere ogen, nog net zichtbaar door een kijkgat in het latwerk, is helder en kalm. Hij weet zich in goede handen.

Blijdorp was achttien jaar geleden de eerste dierentuin in de wereld die ertoe overging dieren weg te geven. “Dat was in die tijd een revolutionaire daad”, stelt Ton Dorresteyn, sinds 1988 directeur van de Rotterdamse diergaarde. “Tot dan toe waren dit soort tuinen verzamelplaatsen van dieren, uitstallingen van zoveel mogelijk bijzondere exemplaren. Dieren hadden de status van een handelsobject: ze werden gekocht bij handelaren en, als het zo uitkwam, voor goed geld doorverkocht. Blijdorp heeft deze praktijk in een relatief vroeg stadium doorbroken. Men realiseerde zich dat een tuin zich pas echt kan onderscheiden door het fokken van dieren - en dan liefst dieren van bedreigde soorten. Er is veel moeite gedaan dat idee uit te dragen. Zo konden andere tuinen hier dieren krijgen op voorwaarde dat ze zouden ijveren voor het kweken van nakomelingen. Al doende kwamen in de loop van de tijd talloze fokprogramma's van de grond. Op het ogenblik zijn wij bij 39 van die projecten betrokken. Samen met Artis en de dierentuinen van Antwerpen, Stuttgart en Kopenhagen is deze diergaarde op dit gebied een koploper.”

Fris en alert

Van de dieren die dagelijks in Blijdorp worden geboren, blijven de meesten anoniem. Niemand staat er bij stil dat de Rivièrahal de laatste twee jaar de kraamkamer was voor 19 Californische lintslangen, 28 Anaconda slangen, 17 chuckwalla's, 5 Terekay schildpadden, 5 stekelstaartvaranen en een school bruine grondhaaien. Al even weinig bekendheid kregen de geboorten in het Henri Martinhuis, genoemd naar de leeuwentemmer die in 1857 de eerste directeur werd van de diergaarde. Afgezien van 27 Afrikaanse relmuizen, begonnen hier de afgelopen jaren 22 zwartvoetkatten, 44 Pincha aapjes, 2 Maleisische vliegende vossen en tal van andere apen en nachtdieren hun leven.

Meer aandacht was er voor de geboorte van een ijsbeer met een gewicht van, als gebruikelijk, 750 gram. “Het ligt voor de hand zoiets in de openbaarheid te brengen”, vindt Dorresteyn. “Het komt tenslotte zelden voor dat, zoals bij ons, ijsberen in gevangenschap vijf keer achtereen jongen baren. De laatste keer liep het slecht af, maar dat neemt niet weg dat je op zo'n resultaat trots mag zijn.” Veel publiciteit kregen ook twee mannelijke flamingo's die, na enkele mislukte pogingen tot eierroof, de kans kregen een uit Artis afkomstig ei uit te broeden. De manier waarop zij samen de moederrol vervulden, baarde tot ver buiten de grenzen opzien. Vergeleken hiermee was de belangstelling minder voor de andere jongen van de lichting 1993: een orang-oetan, een rode reuzenkangoeroe, een Maleise tapir, een witlip-hert, tien buidelratten en een giraf, de 44ste in de geschiedenis van Blijdorp.

Dat deze diergaarde een goede broedplaats is, blijkt vooral in de vleermuizengrot. De oorspronkelijke populatie van 400 groeide in drie jaar uit tot 1500, een bestand waarmee de diergaarde een in deze sector unieke plaats inneemt. Met nadruk wijst Dorresteyn ook op een Mantsjoerijse kraanvogel die sinds 1953 elk jaar voor jongen heeft gezorgd. “In die tijd versleet ze drie mannen, maar zelf is ze nog altijd fris en alert. Met haar nakomelingen is het gegaan als met zoveel jonge dieren van hier: ze zitten overal verspreid. Van de internationaal bekende parken kreeg zeker de helft een aanwinst uit deze tuin. Overal ter wereld huizen dieren van Rotterdamse komaf.”

Gezien zijn reputatie heeft Blijdorp een speciale taak op grond van het European Endangered Species Programme. Sinds een aantal jaren staat de diergaarde te boek als stamboekhouder van vijf diersoorten: kleine panda's, Aziatische olifanten, boomkangoeroes, kroonduiven en, het zal niet verbazen, Mantsjoerijse kraanvogels. De laatste tijd ligt de nadruk sterk op de Aziatische olifant, zegt Kuno Bleijenberg, hoofd afdeling zoogdieren. “Directies van dierentuinen houd ik voor dat we niet op de oude voet kunnen doorgaan. Op het ogenblik zijn er in heel Europa nog 300 vrouwtjesolifanten en 40 bullen waarvan er maar zes produktief zijn, onze bul en die in Emmen meegerekend. Dit betekent dat het soort, als er niet snel iets gebeurt, over veertig jaar uit Europa is verdwenen. Helaas schrikken veel tuinen terug voor de kosten van een bul. Om zo'n beest van 5ton veilig te huisvesten is een half miljoen gulden nodig, maar in dit stadium is dat een nuttige belegging. Een tuin die zich beperkt tot vrouwtjes, handelt onverantwoordelijk. We moeten ernaar streven dat het soort zichzelf in stand houdt. Vandaar dat we zojuist hebben besloten dat onze olifant Bernardine komende herfst, kort na haar tiende verjaardag, een tijdje naar Zürich gaat. Daar wacht haar een flinke man.”

Verstopt

Om hun toekomst te verzekeren is het van groot belang dat de olifanten zich prettig voelen. Met het oog hierop vindt Bleijenberg dat er minimum-eisen moeten komen voor de oppervlakte van hun onderkomen en de luchtvochtigheid daar. Bovendien dienen de ruimten zo te worden ingericht, dat het niet meer nodig is deze hoog-intelligente dieren in betonnen bunkers aan de ketting te leggen. “Pas sinds kort houdt men zich serieus bezig met het welzijn van dieren in gevangenschap. Sommige tuinen gaan op de oude manier verder, maar de meeste investeren nu tijd en geld in de aanleg van ruimere verblijfplaatsen. Ook wordt meer aandacht besteed aan het voederen. Men ziet in dat je het dieren die in de natuur urenlang bezig zijn met voedsel zoeken niet te makkelijk moet maken. Waar mogelijk wordt het eten verstopt, in een boom gehangen of, in het geval van ijsberen, ingevroren in een bak met ijs waaruit ze het weg kunnen klauwen. Voor otters hebben we nu computer-gestuurde krekelboxen, die af en toe een hapje produceren. Zo zijn er op veel terreinen ontwikkelingen gaande die hoop geven voor de toekomst: goede dierentuinen beperken zich in hun soorten, maar geven de dieren die overblijven een betere kans.”

Om die reden is de Rotterdam Zoo, zoals de internationale naam luidt, bezig aan de uitvoering van een Masterplan à raison van 80 miljoen gulden. Het door S. van Ravesteyn ontworpen complex, in 1940 geopend ter vervanging van de verwoeste diergaarde in het centrum, ondergaat voor het jaar 2002 een metamorfose. Het is de bedoeling Blijdorp onder te verdelen in zes 'werelddelen' die zich, inclusief een Oceanium, zullen uitstrekken over de bestaande tuin van 17 hectare en een flink stuk (circa 11 hectare) van het aangrenzende Roel Langerakpark. Volgens de plannen bestaat elk 'continent' uit een aantal biotopen die de bezoeker inzicht verschaffen in bepaalde levensgemeenschappen van plant en dier. Gerealiseerd zijn tot nu toe een Mongoolse steppe, een moeras en een Amoergebied, drie onderdelen van het gedeelte dat Azië gaat heten.

Op 10 mei volgt de opening van Taman Indah (Mooie Tuin), het sluitstuk van dit continent: een 'zoötechnisch oerwoud' met wurgvijgen, nevelflarden en een rivier dat als onderkomen dient voor de dikhuiden. Hoofdbewoners zijn de negen olifanten van Blijdorp, onder wie de 56-jarige Sonny (Europa's oudste) en de zwangere Irma wier kind begin 1995 wordt verwacht. Het ontbreken van onnatuurlijke afscheidingen garandeert een 'olifantvriendelijke' entourage, zo wordt verzekerd. De mannen verblijven nog wel apart, maar niets staat meer slurfcontact tussen bul en koe in de weg.

Tot de andere bewoners van het gebied behoren straks tapirs, reuzeneekhoorns, tijgerpythons en mutslangoeren. Verder komen er twee neushoorns die het tot nu toe moeten doen met een verblijf dat Ton Dorresteyn 'pijn in de buik' geeft. “Hier kunnen ze eindelijk een nieuw leven beginnen”, meent hij. Maar ook de mens komt in Taman Indah niets tekort. Aan zijn “recreatieve behoeften wordt zoveel mogelijk voldaan”, zo belooft een brochure: nog even en hij kan hier beginnen aan 'een spannende tocht vol onverwachte ontmoetingen' die hem, pal langs de uitvalsweg naar Den Haag, een 'oerwoudgevoel' geeft.

Belangrijker vindt Dorresteyn dat zo'n tocht bij het publiek respect wekt voor de natuur. “Door te laten zien hoe mooi en kwetsbaar een biotoop is, dringt misschien het besef door dat verstoring daarvan de oorzaak is van veel milieuproblemen. Op deze manier bieden wij enig tegenwicht tegen de achteruitgang, maar het blijft natuurlijk een tweedehands oplossing. Goede dierentuinen proberen dan ook, waar mogelijk, ter plekke hulp te bieden. Zo levert Blijdorp bijdragen aan een Siberisch fokcentrum van Amoerpanters, waarvan er nog maar vijftig in het wild leven: een derde van het aantal in gevangenschap. Een ander voorbeeld is de Europese nerts, een dier dat als sneeuw voor de zon verdwijnt. Er zijn hier en daar nog maar een paar exemplaren over, maar in Estland is er nu een fokproject waaraan wij meedoen. Ook geven we financiële steun aan mensen die in Birma helpen bij de bescherming van olifanten. Dank zij dergelijke acties ziet de bevolking soms in dat het de moeite waard is dieren voor uitsterven te behoeden. In Rwanda, bijvoorbeeld, beseft men nu dat het met het oog op het toerisme profijtelijk is niet alle berggorilla's dood te schieten.”

Gestroopt

De meest bevredigende oplossing is volgens de mensen van Blijdorp het terugplaatsen van dieren in de natuur. Van Rotterdam gingen de afgelopen jaren Arabische oryxen naar Oman en Saoedi-Arabië, zeeschildpadden naar Bonaire, wilde katten naar het Beierse woud, otters naar Friesland en Przewalskipaarden naar de slikken bij St. Philipsland. Dorresteyn: “Die reïntroductieprojecten, zoals ze worden genoemd, eisen veel zorg. Om te voorkomen dat de dieren na vrijlating onmiddellijk worden gestroopt is begeleiding nodig door het Wereld Natuurfonds of een andere instelling. Ook als aan die eis is voldaan, gaat het in twee van de drie gevallen faliekant fout. Maar dat is geen reden er niet aan te beginnen, een dier zijn vrijheid terugggeven is het mooiste wat er is. De dag dat zes gieren bij Salzburg werden vrijgelaten zal ik niet gauw vergeten. Toen zij voor het eerst hun vleugels uitsloegen, twee wieken van bij elkaar drie meter, kreeg ik kippevel. In het begin werd nog tweemaal een dood schaap voor ze neergelegd, daarna konden ze zichzelf redden. Soms kan je zo ver niet gaan en moet je kiezen voor een tussenoplossing. Sinds 1992 leven onze twee Spaanse wolven in een voor hen aangelegde wolvenvallei, een territorium waar ze meer kunnen dan heen en weer rennen achter gaas. Na de verhuizing herontdekten ze binnen 24 uur hun oorspronkelijke gedragspatroon: ze hapten naar vogels en vlinders, begonnen al rennend paden te vormen en zochten het hoogste punt op om te janken. De verandering die ik zag voltrekken, gaf me een gevoel van geluk.”

Het streven naar een natuurlijk gedrag houdt in dat men zich in Blijdorp zo weinig mogelijk in het leven van de dieren mengt: de natuur moet zijn loop hebben, is het motto. Wat er gebeurt als van deze regel wordt afgeweken, toont Bob, een door mensen opgevoede zwartvoetpinguïn. Met gevoelige oogopslag staart hij nu, afzijdig van zijn soortgenoten, naar de bezoekers in de hoop dat zij even tijd vrijmaken om hem onder de kop te krauwen. Maar soms is menselijk ingrijpen gewenst, maakt dierenarts Willem Schaftenaar duidelijk. Onlangs werd op de Erasmus-universiteit een zware operatie uitgevoerd bij gorilla Kim, wier eileiders verstopt waren. Sindsdien is het al eens tot een paring gekomen, zodat de verwachtingen hooggespannen zijn.

Veel van de medische zorg is erop gericht problemen te voorkomen. Mest wordt verzameld opdat men kan nagaan of er sprake is van wormen, tot voor kort een van de belangrijkste doodsoorzaken van dieren in gevangenschap. Bij gevoelige soorten wordt de mest ook getest op salmonella-bacterieën die zich kunnen verspreiden via produkten van de bio-industrie. In aquaria gaat het erom besmetting te voorkomen door PCB's, reden waarom bepaalde vissoorten worden aangevoerd uit de schonere wateren rond Noorwegen.

Voeleend

Tot lijfelijk contact komt het pas als Schaftenaar per fiets, de dokterskoffer hangend aan de bagagedrager, zijn dagelijkse ronde maakt. Bezoekers zien argwanend toe hoe hij 's morgens om tien uur het olifantenhuis binnenloopt en uit Anka's oor bloed aftapt, een handeling die nodig is om vast te stellen wanneer zij tochtig wordt. Bij Raja, haar minder toeschietelijke buurvrouw, moet hij zich behelpen met het verzamelen van urine. “Als hij aan deze olifant komt, blijft er niet meer van hem over dan een spat op de muur”, weet haar verzorger. “Wanneer zij ooit losbreekt, rent ze naar het kantoor om hem te pakken.” Schaftenaar geeft toe dat hij daar weleens nachtmerries over heeft: “Vannacht droomde ik nog dat ze over de hekken kwamen toen ik langs fietste. Ik maak me hier nu eenmaal niet populair. Zodra ik in de buurt kom van de mutslangoeren schijten ze zich leeg.” Als hij een kwartier later hun hok passeert, ontsteekt een van deze apen in razernij. Het dier slingert zich woedend door zijn hok om weer tot bedaren te komen als de arts de bocht omgaat en het gevaar is geweken.

Na een bezoek aan een giraf met een zoolzweer, voert de route deze ochtend langs een witte eend die door blinden mag worden betast en daarom als 'voeleend' bekend staat. Ter bestrijding van gewrichtsreumatiek krijgt hij antibiotica voorgeschreven. Zorgelijk observeert Schaftenaar vervolgens een Afrikaanse kwartel met een zieke linker- en een overbelaste rechterpoot. “Het moet geen lijdensweg voor het dier worden, maar ik zie het nog even aan”, luidt het oordeel. De volgende patiënt is een rode flamingo die vanwege een uit de kom geschoten poot in een hangmat ligt. Na een verdoving wordt de ranke vogel op een operatietafel gelegd, waar al snel blijkt dat geen redding mogelijk is. Het enige dat dan rest is het dier een spuitje geven. “Soms is dit een hopeloos vak”, zucht de dierenarts.

Evenals Ton Dorresteyn heeft hij een haat-liefde verhouding met het verschijnsel dierentuin. De mensen die er vandaag werken zouden vroeger fel tegen zijn geweest, zegt Schaftenaar, maar nu helpen ze mee om te redden wat mogelijk is. “Daarbij moet je je wel relativeren”, vindt Dorresteyn. “Het gaat overal zo bedonderd, dat we alleen de achteruitgang kunnen vertragen, de remweg wat langer kunnen maken. Neem als voorbeeld de Siberische tijgers waarvan er 400 in het wild leefden. De helft daarvan is vorig jaar gestroopt om van de botten en penissen geneesmiddelen te maken, maar gelukkig zijn er nog circa 700 in gevangenschap. Daarmee kan je de populatie in stand houden. Hetzelfde is het geval met de Somalische wilde ezel: het dier wordt in razend tempo doodgeschoten, maar in dierentuinen leven nog honderd exemplaren. Zo leveren deze instellingen een belangrijke bijdrage aan het conserveren van soorten. Het belang daarvan ziet men helaas niet overal in. Japanners en Taiwanezen bijvoorbeeld beschouwen de hersens van orang-oetans als een delicatesse, maar ook veel Nederlanders zijn er niet van doordrongen dat ze met hun poten van dieren af moeten blijven. Gewetenloze handelaren gaan te werk op een manier die bij mij de vlammen doen uitslaan. Als je dan ziet hoe sommige rechters daarop reageren, heb ik de neiging het behang van de muur te trekken.”

Knagen

Sommige slachtoffers van de dierenhandel kregen in Blijdorp een nieuwe kans. Een van hen is een olifant die zes jaar geleden in een container werd aangetroffen bij de douane en om die reden Douanita werd gedoopt. Dank zij de sociale sfeer in de Rotterdamse olifantengroep werd zij al gauw als een lid daarvan aanvaard. Gunstig liep het ook af met Xara, een gorilla die al achttien jaar geleden in België in beslag werd genomen. Van ellende had ze zitten knagen aan een van haar poten, die tijdens een langdurig verblijf in het ziekenhuis werd geamputeerd. Toch werd ook Xara geaccepteerd binnen de groep, waar zij in de jaren daarna twee jongen baarde.

“Dit soort dingen houden je gaande”, zegt Ton Dorresteyn. “Er is hier een bereidheid om moeilijke dingen te doen, om door hard werken iets tot stand te brengen. Zo hebben we wereldfaam gekregen door een dieet te ontwikkelen voor kleine panda's. Daaraan is het te danken dat hun jongen bij ons in leven blijven, dat geeft een geweldige kick.” Maar het werk in de diergaarde kent ook zijn teleurstellingen. Als Willem Schaftenaar aan het eind van zijn ronde langs gaat bij een zeebeer met schimmelinfectie lijkt hij uit het veld geslagen. “Arica, wat doe je nou?” zegt hij, oog in oog met het dier dat hulpeloos in een hoek ligt. En dan tegen zijn verzorger: “Tegen beter weten in geef ik hem nog een injectie, maar het is met hem gedaan. Van zoiets lig ik 's nachts wakker.”

Met de meeste dieren in Blijdorp loopt het beter af. De elandantiloop Frodo vormt geen uitzondering op deze regel. Als na een rit van twee uur de kist in Planckendael wordt geopend, stapt hij welgemoed naar buiten. “Een puntgave bok, er zit geen haar verkeerd”, meldt de Belgische verzorger tevreden. Terwijl Frodo zijn verblijf inspecteert, kijken tien vrouwtjesantilopen van een afstand reikhalzend toe.

    • Paul Hellmann