Blind

Aan het bord is de schaker meester over zijn eigen lot. Tegenstander, doe uw zetten en ik zal ze weerleggen, denkt hij trots, en als het hem niet lukt is het zijn eigen schuld. Maar na het toernooi is hij weerloos tegen de critici, die zijn kunstwerken ontmantelen en met scherpe analytische blik slechts een opeenvolging van vergissingen opmerken. Heel vaak zou de schaker ook zijn critici kunnen weerleggen, maar er is geen beginnen aan. Je kan niet alle vliegen doodslaan die er in de schaakwereld rondzoemen.

Kasparov moet zich wel geërgerd hebben aan het laatste nummer van Schachwoche. Bij dat blad houden ze veel meer van Karpov dan van hem. In het hoofdartikel wordt Kasparov nog eens streng veroordeeld om zijn misstap tegen Judit Polgar in het toernooi van Linares, toen hij een al uitgevoerde zet zou hebben teruggenomen. Verderop wordt (sterk overdreven mijns inziens) opgemerkt dat hij tegen Topalov in ernstig gevaar was voor het tenslotte remise werd.

En het ergste van alles, van zijn meesterwerk tegen Barejev wordt gezegd dat hij de partij eigenlijk had moeten verliezen. Polgar, Topalov, Barejev. De lezer van Schachwoche die dit optelt, moet wel de indruk krijgen dat Kasparov in Linares eigenlijk vier of vijf punten op Karpov achter had moeten blijven.

Op die partij tegen Barejev wil ik nog eens terugkomen, in de eerste plaats omdat het verslag dat ik indertijd gaf wel wat aanvulling kan gebruiken, maar ook omdat juist de ongerechtvaardige kritiek in Schachwoche goed uit laat komen hoe brillant Kasparov kan zijn. In de hitte van het gevecht zag hij alles veel scherper dan de criticus die er een maand over na kon denken.

DIAGRAM 1

Wit Barejev-zwart Kasparov, stand na de 29ste zet van zwart. Zwarts laatste zet was 29...Ld4-e3!! (29...Le3? volgens Schachwoche). Een schitterende zet, maar hoe schitterend hij was, besefte ik allerminst toen ik de partij indertijd in deze rubriek af liet drukken. Kasparov had een remisestelling kunnen bereiken met 29...Lxc3 30. Txc3 Txc3 31. Dxd2 Tc5. In de partij won hij snel: 29...Ld4-e3 30. Tb1-c1 Db6-d4 31. b5-b6 Tc4xc3 en wit gaf op. Schachwoche geeft echter aan dat 29...Le3 een ernstige fout was, en dat wit de partij een heel andere uitslag had kunnen geven door in de diagramstelling 30. Pc3-d1 te spelen, een zet die mij eerlijk gezegd in eerste instantie geheel ontgaan was.

Een ernstige omissie, want zwart lijkt er dan inderdaad slecht aan toe te zijn. Hij staat een kwaliteit achter, die hij niet meteen kan terugwinnen omdat Tc4 gedekt moet blijven. Verder zijn Le3 en Pd2 in gevaar. Als er stukken geruild worden, zal wits vrije b-pion de beslissing brengen. Schachwoche laat zwart 30...Lxf4 antwoorden en geeft daarna een oerwoud van varianten, die er op neerkomen dat zwart zijn laatste toren moet ruilen om niet nog meer materiaal te verliezen, en dan verliest door wits b-pion. Bewijzen die varianten dat Kasparov zich verrekend had en dat hij de partij had kunnen verliezen? Nee, ze zijn irrelevant, want zwart heeft na 30. Pd1 een klein zetje van wonderlijke schoonheid, dat de situatie in één klap omkeert: 30...Da7!!. Opeens is alles in orde voor zwart. Na 31. Dxa7 ( anders moet wit de aanval op c4 opgeven, waarna zwart wel Pxf3 kan doen) Lxa7 heeft zwart twee vliegen in één klap geslagen. Zowel zijn loper als zijn toren zijn niet meer aangevallen. Hij wint zijn kwaliteit terug en houdt in alle varianten beslissend voordeel.

Met Gert Ligterink had ik het er een maand geleden over hoe moeilijk zo'n zet 30...Da7 te vinden is voor een mens. Drie zwarte stukken zijn in gevaar. De bevende hand van de gewone sterveling grijpt naar de toren, de loper of het paard. Maar de ijzeren hand van de wereldkampioen lost de problemen op door een zet met een heel ander stuk, de dame. Een bescheiden zet, één veldje achteruit op de diagonaal. Een zet die ook nog de geblokkeerde witte b-pion ruim baan geeft. Heel moeilijk te vinden. Ik had toen ik de stelling na 30. Pd1 bestudeerde meer dan een half uur nodig voor ik op het idee 30...Da7 kwam. Schachwoche is er nog niet achter. Kasparov moet de zet, en alle consequenties, lang van tevoren gezien hebben, in ieder geval op het moment dat hij 29...Le3 speelde, en waarschijnlijk eerder.

Ik dacht dat een computer de zet 30...Da7 vrij makkelijk zou vinden, omdat die niet het menselijke vooroordeel tegen achterwaartse diagonale bewegingen deelt, maar dat valt tegen. In het laatste nummer van het blad Volmachess schrijft Ligterink dat hij de stelling aan zijn Chess Genius opgaf. “Het programma was heel tevreden met wits stelling na 30. Pd1 en pas na een kwartiertje vond het de weerlegging.“ Het is de vraag of Kasparov op dat moment zoveel tijd beschikbaar had, maar daar gaat het niet om. De zet 30...Da7 vindt dit computerprogramma in een kwartier, maar de schitterende voorbereidende zet 29...Le3!! (in plaats van het makke 29...Lxc3) zou hij onder toernooiomstandigheden nooit gespeeld hebben. Kasparov wel. Weinig mensen zouden het hem nadoen.

Zoals bij de Grieken na de tragedie het satyrspel volgde, zo volgt de laatste jaren op de ernst van Linares de luim van het Amber-toernooi in Monaco. De spelers zijn voor een deel dezelfden als in Linares, alleen de omstandigheden zijn heel anders. Iedere ronde bestaat uit een gewone rapid-partij en een blindpartij, tegen dezelfde tegenstander. Gespeeld met de Fischer-klok: aan het begin krijgt men 20 minuten en dan na iedere zet 10 seconden extra bij de rapid-partij en 20 seconden bij de blindpartij. Zo kunnen lange partijen gespeeld worden. Ik zag een blindpartij Piket-Ljubojevic, remise na 103 zetten, wat een hele krachtsinspanning moet zijn geweest. De rappe Anand stond na vier ronden bovenaan met 6 uit 8. Karpov heeft voorlopig genoeg voor zijn onsterfelijkheid gedaan en stond met drie nederlagen bescheiden in het midden met 4 uit 8.

DIAGRAM 2

Wit Anand-zwart Karpov, blindpartij. De rapid-partij had Anand na 100 zetten gewonnen en nu was een remisestelling bereikt. De blinde Karpov zag echter nog één valstrik. Zijn laatste zet was 69...Kg7-h6 geweest. Bijzonder sluw, want na het gewone 69...Kf6 zou wit gedwongen zijn om remise te houden door rustig af te wachten: koning op g3 of h3, en als het moet de loper geven voor g- en f-pion. Nu echter leek wit een kans te krijgen om meteen remise te forceren. 70. Kg3-f4 Hij loopt erin. Rustig afwachten had ook hier remise opgeleverd. 70...Ld8xh4 71. Ld7xf5 Lh4-g3+! Ai, niet gezien. Na meteen 71...gxf5 72. Kxf5 zou wit het veilige hoekveld h1 kunnen bereiken, maar nu is hij verloren. 72. Kf4-e4 g6xf5+ 73. Ke4xf5 Lg3-b8 74. Kf5-e4 h5-h4 75. Ke4-f3 h4-h3 76. Kf3-f2 Lb8-h2 Wit gaf op.