Binnenwereldkunst van een geenmens

Birger Sellin: ik wil geen inmij meer zijn; berichten uit een autistische kerker. Bezorger: Michael Klonovsky. Vert. Wim Platvoet. Uitg. Thoth, 176 blz. Prijs: ƒ 29

Het is bij mijn weten ongebruikelijk dat een auteur zijn publiek dank zegt voor de zojuist voltooide lezing van zijn boek:

“beste lezer

ik dank u dat het u tot op het puntgave einde gelukt is

mijn uiteenzettingen op ijzeren wijze te lezen

u vergist u wanneer u denkt dat ik een grote persoonlijkheid ben

ik ben alleen maar een zondermijgestalte die uit de duisternis

van de autistenwereld te voorschijn is getreden om met

mensenwerelders van uw soort contact op te nemen

ik kan echter niet deelnemen aan uw leven omdat mijn wereld me nog gevangenhoudt

ik zoek nog steeds de weg naar buiten naar u

ik verlang er sterk naar wezenlijke dingen te doen en peins me suf

hoe iemand als ik uit de gevangenschap bevrijd kan worden

het schrijven is mijn eerste stap uit de andere wereld en ik ben blij

dat er nu een boek uit ontstaan is

ik wens u een eenvoudig maar innerlijk gaaf geweldig liefderijk

leven

uw duistere geenmens birger.'

Dit slotwoord staat op de laatste bladzijde van ik wil geen inmij meer zijn. De twintigjarige uit Berlijn afkomstige schrijver heet Birger Sellin. Hij is autistisch en spreekt niet. Vanaf zijn tweede jaar leeft hij teruggetrokken in zijn onbereikbare binnenwereld, probeert de chaotische buitenwereld met rituelen te bezweren en is moeilijk te handhaven vanwege zijn agressieve paniekaanvallen, die vaak gepaard gaan met zelfverwonding. Zijn tocht langs deskundigen en hulpverlenende instanties bracht hem enkele jaren geleden in contact met de zogenaamde 'facilitated communication'. Deze taaltherapeutische methode stimuleert geestelijk gehandicapten om zich te uiten via de tekstverwerker, waarbij een vertrouwd persoon hun typende arm vasthoudt. Aldus ondersteund door zijn moeder begon Sellin op zeventienjarige leeftijd teksten op te tikken. Uit de enorme produktie maakte een betrokken geraakte journalist een keuze die de periode van augustus 1990 tot eind 1992 beslaat. Selectiecriteria voor de bezorger waren het belang van de uitspraken over autisme en het literair belang.

Ook Sellin zelf is zich van die twee kanten van zijn schrijfarbeid bewust. Hij hoopt dat zijn werk niet zal leiden tot een 'kitschboek', maar tot “een waarlijke aanzet tot denken in een mooie vorm waaraan men gewoon ziet dat ik wil deelnemen aan het werkzame weidse leven”.

Die aanzet tot denken (en tot voelen) over wat autisme betekent, heeft de schrijver zeker bereikt. De 'doorluchte bovenwerelder' wordt een blik gegund in het 'rijk der donkere gestalten', waaraan een 'kastenmens' zich met wanhopige inzet probeert te ontworstelen, om te leven als “lieve belangrijke kinderen die door allen bemind worden ofschoon fabelachtige onzin uithalend”. Sellins zelfbeeld is even helder - “ik leer ermee om te gaan een beroemde dwaas te zijn” - als het inzicht in zijn zogenaamd normale lezers: “ze verdrinken hun doorlopende angst midden in het welgeordende leven/ ik zal ze weer wakker schreeuwen want ik ben bang voor hen allemaal bij elkaar”.

De lezer kan de groei en ontwikkeling vaststellen tussen de eerste, haast toevallige tekst, met het alfabet en de namen van de gezinsleden en het weloverwogen slotwoord. Hij krijgt uiteenlopende emoties over zich uitgestort: opwinding over de onvermoede mogelijkheden die het schrijven opent, teleurstelling en schaamte over elke terugval in onbeheerste agressie, angst om de veilige bunker van het zwijgen op te geven, verantwoordelijkheid om te spreken namens andere autisten en tegelijkertijd vrees hen te verraden. Allesoverheersend is de hartverscheurende onmacht: “eenzaam en mijlenver van de belangrijke maatschappij verwijderd/ zien we toe/ een uitgelezen hoop gekken/ als een weerbarstig publiek/ dat de voorname voorstelling in de war schopt”.

“Een gedicht”, schrijft Sellin, “is een mogelijkheid om gedachten te binden.” Met zijn teksten heeft hij duidelijk niet alleen therapeutische, maar ook literaire bedoelingen: “onder alle dichters trof ik geen stomme aan/ dus willen wij de eersten zijn”. Dat niet iedereen zijn werk tot het literair domein zal willen rekenen had hij al voorzien: “ik heb eigen wetten ze vallen buiten het kader van de omzichtige bekrompen dichteruitbuiters/ ik betitel mijn kunst als de binnenwereldkunst van alle idioten en autisten/ wij beklimmen met onze kunst de toppen van de banaliteiten van het ellendig menselijk bestaan”.

Voor zover de vraag naar het literair gehalte van Sellins boek iets toe of afdoet aan de waarde ervan, zou je kunnen vaststellen dat het hier gaat om literatuur in haar oervorm. Elke schrijver wil gehoord worden, maar voor deze is het letterlijk van levensbelang. De thema's in zijn werk zijn die van alle literatuur: angst, eenzaamheid, behoefte aan (h)erkenning. De teksten moeten het zonder hoofdletters en leestekens stellen en met hun geringe omvang, korte zinnen en veel wit op de pagina wekken ze de indruk van poëzie. Ook de leesactiviteit is verwant aan die van de poëzielezer, die de woorden zorgvuldig proeft en daarna vaststelt welke een verbinding met elkaar aangaan. Sellins gedachtengang, beelden en woordkeuze tenslotte zijn oorspronkelijk en vaak verrassend: “een wereldbeeld vanuit het standpunt van de autisten is als een schip dat ondergaat en onzin bedenkt om het niet te merken en ik ben de eerste officier van dit schip”. Dank zij de reddingsboei van de taal die hij zichzelf met grote volharding blijft toewerpen, zal die rondzwalkende zeeman mogelijk het hoofd boven het woelige water weten te houden. Dat is wat de lezer, althans deze lezer, de schrijver toewenst.

    • Bregje Boonstra