Biecht spaart boete uit

Marc Leijendekker: De Italiaanse Revolutie 256 blz., Meulenhoff 1994, ƒ 37,50

Italië heeft gestemd volgens een nieuwe kieswet en er is een einde gekomen aan de Eerste Republiek. De Italianen hebben voor rechts gekozen, de christendemocraten, die gedurende 50 jaar aan het bewind zijn geweest, zijn niet meer in de meerderheid en de politieke partijen die niet tot de traditionele partijen behoren, hebben de voorkeur gekregen. Italië, een land dat altijd ideologisch gekleurd was en dat de grootste communistische partij van West-Europa had, heeft basta gezegd tegen het verleden, en een partij omhelsd die geen duidelijk politiek programma of duidelijke ideologie heeft maar volgens haar leuzen gebroken heeft met het verleden: Berlusconi's Forza Italia. Berlusconi heeft zich gepresenteerd als de grote tegenstander van de communisten en van alles wat links is. Dit alles is begonnen toen op 17 februari 1992, Mario Chiesa, de president van een liefdadigheidsinstelling (Pio Albergo Trivulzio te Milaan), gearresteerd werd wegens het aannemen van smeergeld van de eigenaar van een schoonmaakbedrijf, Luca Magni, die op deze manier een werkopdracht had gekocht. Toen Magni niet meer kon betalen stapte hij naar de justitie. Zo kwam hij in aanraking met een tot dan toe onbekend rechter, Antonino Di Pietro, die weldra een nationale figuur zou worden.

Saneringsproces

Zo begon de politieke revolutie waarover Marc Leijendekker vertelt in zijn pas verschenen boek De Italiaanse Revolutie. Leijendekker geeft een vrij betrouwbaar beeld van de omwenteling in Italië van de laatste twee jaren: geen historische verhandeling met bibliografische gegevens en analyses en hypotheses, maar het op feiten steunende verhaal van wat er in die twee jaar gebeurde. Uit het boek wordt duidelijk dat in alle sectoren van de Italiaanse samenleving een aanvang is gemaakt met een saneringsproces en dat het grootste deel van de Italianen er genoeg van heeft dat een kleine groep politici, profiteurs en criminelen het leven in het land al zo lang onmogelijk heeft gemaakt.

De hegemonie van die laatsten viel samen met de paradoxale voorspoed van de jaren '80 waarin Italië een ongekende economische bloei beleefde en een renaissance op het gebied van vormgeving, literatuur, kunst, economie. Het 'wonder Italië' genoot de belangstelling van de hele wereld. Italië was de vijfde of zesde economische mogendheid van de wereld, terwijl zij tegelijkertijd een enorm tekort vertoonde op de betalingsbalans, en een staatsapparaat had dat zeer slecht functioneerde. Daarachter ging o.a. al jaren de macht van de mafia schuil.

Italië was in die jaren het land van de nieuwe helden uit de ondernemingswereld: Agnelli, De Benedetti, Ferruzzi (Gardini), Berlusconi, Benetton. De Italianen spraken niet over Fiat maar over Agnelli, niet over Olivetti, maar over de persoon De Benedetti, over Gardini en niet over Montedison. Zij waren de goden van de Italiaanse economie, de beste vertegenwoordigers van Made in Italy. De Benedetti probeerde zelfs, als voorbereiding op het Europa van de jaren '90, een Europees imperium te stichten. Hij deed ook een poging om de Societé Générale des Banques over te nemen.

In die jaren van welvaart regeerden de socialisten en de christen-democraten (samen met liberalen en republikeinen). Ze deelden de lakens uit op alle terreinen. De economie ontwikkelde zich voorspoedig en Italië was erg in trek, maar de arrogantie van de politici nam ongehoorde vormen aan en de geldverspilling was enorm. Craxi, Andreotti en Forlani vormden een eenheid, het 'trio CAF'. De corruptie groeide, evenals de criminele organisaties: de mafia, de camorra, de indrangeta. Oorspronkelijk was de criminele organisatie een aangelegenheid van het zuiden maar nu had die zich tot het noorden uitgebreid.

In de jaren '90 gebeurde iets wat de wortels van de corruptie in het rijk van de Craxi's en de Andreotti's blootlegde. In de loop van de laatste twee jaar kwam aan het licht dat politici smeergeld aannamen van grote en middelgrote ondernemingen om hun politieke partijen te financieren of om er zelf rijk van te worden, in ruil voor gunsten of opdrachten. En de Italiaanse samenleving bewees de kracht te hebben zich daartegen te weer te stellen - zonder pardon en zonder aanzien des persoons. Ministers, partijsecretarissen uit de twee grootste regeringspartijen, christen-democraten en socialisten, ze werden in groten getale aangeklaagd. Niet alleen vooraanstaande figuren uit het zuiden, het land van de mafia, maar ook uit het noorden, uit steden als Varese en Milaan. Plotseling was het ondenkbare mogelijk geworden: grote figuren uit het openbare leven, exponenten van die corruptie, werden voor de rechtbank gesleept. De oude helden vielen van hun voetstuk en de nieuwe helden van de samenleving werden de rechters. Eindelijk gaven deze rechtshandhavers genoegdoening aan de gewone burger die machteloos had toegekeken hoe het land werd geplunderd en hoe de criminaliteit ongestoord zijn gang kon gaan. Rechter Di Pietro werd met zijn ongedwongenheid en eenvoud het symbool van onkreukbaarheid die het Italiaanse volk weer recht deed wedervaren. De rechtenstudie is sindsdien zeer in trek!

Het jaar 1992 werd niet alleen gekenmerkt door de aanvang van het proces Schone Handen maar ook door drie belangrijke, door de mafia gepleegde moorden die een opstand onder het volk teweegbrachten. Inmiddels is het aantal spijtoptanten enorm toegenomen en zijn ook de grootste leiders van de georganiseerde misdaad, die al tientallen jaren gezocht werden terwijl zij zich allemaal dicht bij huis verborgen hielden, gearresteerd. De opstand, de Palermitaanse lente, was trouwens al eerder begonnen met de komst van Leoluca Orlando als burgemeester van Palermo.

Corrupte bende

Het beeld dat uit het boek van Leijendekker naar voren komt is schrikbarend. De politieke populatie wordt ontmaskerd als één grote corrupte bende. Het aantal politici dat buiten de corruptie was gebleven, was op de vingers van een hand te tellen. Het was alom bekend dat de parlementariers grof geld kregen uit salarissen en vergoedingen voor fictieve onkosten en dat zij privileges hadden die aan de middeleeuwen deden denken. De politieke partijen verdeelden alles: massamedia, banken, spoorwegen, posterijen. De keuze van de leiding werd door de politieke partijen bepaald. De massamedia waren (en zijn) bezit van de grote bedrijven: Il Corriere della Sera en La Stampa in handen van Agnelli, de Espresso en la Repubblica in die van De Benedetti, drie televisienetten eigendom van Berlusconi. Raiuno is van de christendemocraten, Raidue van de socialisten, Raitre van de communisten; alles is onder elkaar verdeeld. Leijendekker stelt te generaliserend dat het katholicisme Italië zo lang met deze wantoestanden verzoend heeft. De biecht spaart de boete uit, de zonden worden door de absolutie kwijt gescholden. Hierdoor is alles vergeven. Italië kent geen protestantisme waardoor volgens Leijendekker een dosis persoonlijke verantwoordelijkheid voor het openbare leven bij de Italianen had kunnen ontstaan. De gemiddelde Italiaan zou weinig verantwoordelijkheid voelen voor de staat. Cosi fan tutti: iedere Italiaan heeft op de een of andere manier meegedaan aan de illegale manier van leven, de kunst van het regelen en van het ritselen. Praktisch alles wordt verkregen door aanbevelingen en gunsten, ook hetgeen waarop men recht heeft.

De vraag is waardoor deze revolutie zich pas nu en zo plotseling heeft voltrokken? Hoe komt het dat alleen in de laatste twee jaren de grote politici en de grote managers en de mafiabazen zijn gearresteerd terwijl dit in de voorgaande decennia niet mogelijk was? Die vragen krijgen geen expliciet antwoord in het boek. De historici zullen die vraag tot klaarheid moeten zien te brengen. Is het begonnen met en door de val van de Berlijnse muur en met het verdwijnen van de links/rechtstegenstelling? Of door het Verdrag van Maastricht? Bij die gelegenheid heeft de Europese Gemeenschap immers duidelijk gemaakt dat het met de financiële situatie van Italië niet in orde was en dat het land dreigde te degraderen tot tweederangs economische mogendheid? Op dat moment werd pas goed duidelijk dat de Italiaanse welvaart op schijn berustte en dat de lire in feite was uitgehold.

De recente verkiezingen hadden een kroon moeten zijn op het werk van de revolutie die sinds 1992 door de Italianen op gang is gebracht. Uit De Italiaanse revolutie zou men kunnen opmaken dat de auteur zoals vele anderen, politici, intellectuelen, enzovoorts, had verwacht dat de linkerzijde na 50 jaar van oppositie bij de jongste verkiezingen eindelijk aan de macht zou komen. Die verwachting is niet bewaarheid.

Is dat de juiste afsluiting van de Italiaanse revolutie? Het juiste begin van een nieuwe periode? Of is alles voor niets geweest? Hierop kan eenieder, mede aan de hand van het boek van Leijendekker, het antwoord geven. Helaas dreigt het breken met ideologieën en met de traditionele politieke partijen en de daarmee gepaard gaande vlucht naar rechts in deze tijd van economische recessie een algemeen verschijnsel in vele delen van Europa te worden.