Berlusconi in spagaat tussen politiek en zaken

ROME, 2 APRIL. Kan een premier die eigenaar is van warenhuizen, een uitgeverij, reclamebureaus, een voetbalclub, een bioscoopketen, een verzekeringsmaatschappij, een onroerend-goedfirma en zo'n beetje alle commerciële tv van enige importantie nog wel het algemeen belang dienen, of laadt hij bij vrijwel elk besluit onherroepelijk de verdenking op zich vooral zichzelf te willen helpen?

Dat is het dilemma waarvoor Silvio Berlusconi en Italië staan na de verkiezingsoverwinning van het rechtse blok. De onderhandelingen over de vorming van een kabinet zijn gisteren flink opgeschoten. Maar het heikele thema of Berlusconi premier wordt en zo ja, onder welke voorwaarden, is in het gesprek met de federalistische partij Lega Nord doorgeschoven tot na Pasen. Berlusconi heeft gezegd bereid te zijn delen van zijn Fininvest-groep te verkopen als de prijs 'juist' is, maar nog niemand heeft zich gemeld.

Het zakelijke imperium van de leider van Forza Italia is zo groot dat dit een hoofdprobleem in de formatie wordt. Fininvest is na Fiat de grootste particuliere onderneming van Italië. Legaleider Umberto Bossi, de rebelse bondgenoot van Berlusconi, heeft voorspeld dat hij als “een ondernemer met duizend belangen” iedere dag een belangenconflict krijgt.

Berlusconi's impliciete antwoord is dat heel het land zit te wachten op een opleving van de economie en een terugtrekkende overheid. Voor een deel van zijn activiteiten kan gelden dat wat goed is voor Silvio Berlusconi, ook goed is voor Italië. Zijn economische voorstellen mikken op algemene stimulering van de economie.

De beloftes van Berlusconi staan op het verlanglijstje van een hele groep ondernemers. Toch wordt er één groot vraagteken gezet bij zijn economische plannen. Gezien de enorme schuldenlast van zijn Fininvest-groep heeft Berlusconi groot belang bij inflatie. Hierdoor zou zijn schuldenlast vanzelf kleiner worden. Zijn tegenstanders hebben daar vaak voor gewaarschuwd, ook al is het programma van Berlusconi's partij er duidelijk over: een inflatie brengt de lire in gevaar, en een stabiele munt is een absolute voorwaarde voor het goed functioneren van een markteconomie.

Berlusconi zegt niet alleen dat hij de lire stabiel wil houden, hij heeft ook vaak onderstreept dat de particuliere bestedingen moeten stijgen. Ook hier is weer een direct persoonlijk belang: stijging van de binnenlandse vraag betekent dat zijn warenhuisketen Standa meer verkoopt en dat er meer reclame wordt gemaakt. En deze stijging van de consumptie kan de inflatie aanwakkeren.

Pag.18: Niemand weet hoe Fininvest er werkelijk voor staat

De hoofdoorzaak voor het feit dat de waardedaling van de lire de afgelopen anderhalf jaar gepaard is gegaan met een daling van de inflatie in plaats van de stijging die alle economische modellen voorspellen, is de sterke inkrimping van de binnenlandse vraag. Berlusconi heeft gesuggereerd dat hij vooral de aankoop van Italiaanse goederen wil stimuleren. Dit zou het inflatoire effect iets verminderen, omdat geen duurder geworden buitenlandse goederen worden gekocht.

In het algemeen zullen de belangenconflicten bij het macro-economische beleid beperkt zijn, maar bij honderden specifieke besluiten kunnen zij wel opduiken. Twee zaken die om maatregelen schreeuwen raken bijvoorbeeld de mediawereld, de belangrijkste poot onder Berlusconi's imperium.

De staatsomroep Rai, de grote concurrent van Berlusconi's commerciële zenders, moet ingrijpend worden gereorganiseerd. De Rai zit diep in de schulden en is verpolitiseerd. Jarenlang zijn de drie zenders de speeltuin geweest van de drie grootste partijen: christen-democraten, socialisten en communisten. Het is de opzet de drie zenders nu thematisch te rangschikken en fors te schrappen in de uitgaven. Duidelijk is dat harde maatregelen nodig zijn, maar wat Berlusconi als premier ook zou doen, hij zal onherroepelijk het verwijt over zich heen krijgen dat hij de Rai wil inkrimpen ten gunste van de commerciële televisie.

Verder heeft het land hard een betere mediawet nodig. Niet alleen worden de huidige regels niet goed nageleefd, zij houden ook een feitelijke monopolie van Berlusconi in stand op het gebied van commerciële televisie. Bovendien moet er duidelijkheid komen over de positie van de zenders voor abonnee-tv, Telepiù 1 en Telepiù 2. Hierin zit Berlusconi officieel voor het maximum toegelaten belang van tien procent, maar de rest is in handen van vrienden en in feite heeft hij een grote invloed op deze zenders. Het is moeilijk denkbaar dat Berlusconi zich als premier actief zal inzetten voor vergroting van concurrentie binnen de media.

Eén belangenconflict kan Berlusconi in ieder geval niet meer krijgen. Een paar uur voordat maandagavond de houten stemdozen op slot gingen, heeft het kabinet besloten om de concessie van een tweede net voor alle soorten mobiele telefoons niet te verlenen aan het Unitel consortium van Fininvest en Fiat, maar aan de Omnitel-groep van Berlusconi's aartsrivaal Carlo De Benedetti, president van het computerbedrijf Olivetti.

Het kabinetsbesluit hierover illustreert de moeilijke situatie waarin Berlusconi komt te verkeren. Tussen Unitel en Omnitel is fel gevochten om de lucratieve markt van de draadloze telefonie. Medestanders van Berlusconi in het zittende kabinet van premier Carlo Azeglio Ciampi, de onofficiële kandidaat-premier van links, hebben boos gezegd dat het besluit erdoor is gejaagd, terwijl eerst was aankondigd dat de knoop in april zou worden doorgehakt. Maar Unitel heeft al laten weten dat het niet anders dan voorzichtig kan zijn met protesten, om de zaak niet in de politieke sfeer te trekken.

Een korte schets van zijn carrière als ondernemer illustreert hoe breed het zakelijk imperium van Berlusconi is, hoe groot het gevaar van belangenconflicten. Hij begint in de jaren zestig in het onroerend goed. Berlusconi profiteert handig van de bouwgolf in die tijd en maakt al snel de overstap van kleine aannemer naar projectontwikkelaar. Beroemd zijn de wijken Milano 2 en Milano 3 die hij heeft laten aanleggen. Indertijd waren dat voor Italië revolutionaire projecten, met een integratie van wonen en dienstverlening. Curieus genoeg is nog steeds niet helemaal duidelijk waar precies het kapitaal vandaan kwam voor deze sprong.

Als eind jaren zeventig de klad komt in de bouw, stapt hij over de commerciële televisie. Een lokale zender in zijn eigen wijk Milano 2 staat aan de basis van zijn landelijke zender Canale Cinque. Een van de belangrijkste instrumenten voor groei wordt het netwerk van reclamebureaus dat hij opzet, onder de titel Publitalia. In de loop van de jaren tachtig krijgt Publitalia zo'n dominerende rol dat Berlusconi zo ook indirect de controle krijgt over een aantal lokale zenders. Publitalia controleert nu 56 procent van de reclamemarkt.

Zijn macht in de landelijke tv groeit snel. Ook twee uitgavers experimenteren begin jaren tachtig met commerciële tv. Rusconi zet Italia 1 op, Mondadori Retequattro. Het wordt een felle concurrentiestrijd waarin Berlusconi wint, overigens op eigen kracht en zonder politieke bescherming. Triomfantelijk neemt hij in 1983/84 de twee vrijwel failliete zenders over. Dan kan hij echt de concurrentie met de Rai beginnen, waarin hij eind 1984 wordt beschermd door zijn vriend Bettino Craxi, dan premier.

De tv-reclame brengt geld binnen, veel geld, en Berlusconi speurt om zich heen naar nieuwe mogelijkheden. In het voorjaar van 1986 koopt hij AC Milan, dat diep in de schulden zit. Zijn verzekeringsmaatschappij Mediolanum wordt een van de belangrijkste sponsors, en de wedstrijden worden uitgezonden op zijn tv-zenders.

Twee jaar later neemt Berlusconi de warenhuis- en supermarktketen Standa over van Raul Gardini, de president van Ferruzzi die vorige zomer zelfmoord heeft gepleegd wegens zijn rol in de corruptieschandalen. Drie jaar later volgt, na een bitter gevecht met De Benedetti, de uitgeverij Mondadori, de grootste van Italië. Berlusconi heeft verder een belangrijke bioscoopketen opgekocht en is in Frankrijk, Duitsland en Spanje begonnen met commerciële zenders.

Trots roepen vertegenwoordigers van Fininvest dat zij na het Duitse Bertelsmann het grootste mediaconcern van Europa zijn geworden. Berlusconi gaat er prat op dat hij veertigduizend mensen werk biedt. Soms veranderen zijn aanhangers dat in de uitspraak dat hij veertigduizend banen heeft geschapen. Dat laatste is niet waar. Direct en indirect werken er voor Fininvest ruim veertigduizend mensen. Van hen zijn ongeveer 27.000 man vaste werknemers. De rest is medewerker op een tijdelijk contract. Vooral bij zijn tv-zenders werken veel mensen op die basis. Van die 27.000 vaste banen heeft Berlusconi er meer dan twintigduizend gekocht, door zijn overnames van de Standa en Mondadori. Bij de Standa werkten eind 1992 ruim vijftienduizend mensen, bij Mondadori ruim vijfduizend.

Beide bedrijven zijn overigens hard aan het snoeien in hun personeel, want het gaat al een jaar of twee helemaal niet goed met Fininvest. Door de recessie vallen de inkomsten uit tv-reclame tegen. In Frankrijk is het project met La Cinq mislukt. De Standa wil maar niet goed draaien en ook bij Mondadori vallen de balansen tegen, onder andere door het fiasco van het tijdschrift Noi dat vorig jaar met veel fanfare werd gelanceerd.

Daarom heeft Berlusconi vorig jaar Franco Tatò binnengehaald. Dat is een befaamde trouble shooter met de bijnaam 'Kaiser Franz', omdat hij lang in Duitsland heeft gewerkt en met de spreekwoordelijke grondigheid van onze oosterburen de reorganisaties van bedrijven aanpakt.

Tatò heeft in vraaggesprekken gezegd dat de groep misschien wel te snel is gegroeid. De overname van de Standa en van Mondadori hebben wel geleid tot een omzetstijging, maar ook tot een enorme groei van de schuldenlast, want de overname is grotendeels gefinancierd met geleend kapitaal. Tatò, afgestudeerd als filosoof, is nu bezig met een grondig onderzoek van Fininvest, om te zien waar de rotte plekken zitten.

Dat die er zijn wordt door niemand betwist. Er gaat alleen een felle discussie over de vraag hoe slecht Fininvest er precies voor staat. Tegenstanders van Berlusconi hebben gezegd dat deze zijn plannen om de beurs op te gaan, om de nood te verlichten via een kapitaalinjectie, in de ijskast heeft gezet omdat hij dan ook zijn balansen openbaar zou moeten maken.

Volgens cijfers van Fininvest zit de groep voor 3,8 biljoen lire, ongeveer 4,7 miljard gulden, in de schulden. De Italiaanse handelsbank Mediobanca komt op een hoger bedrag uit: 4,5 biljoen lire, drie keer zoveel als het kapitaal van Fininvest.

De groep blijft een zeer bescheiden netto winst melden: 21 miljard lire, ongeveer 25 miljoen gulden, in 1992, op een omzet van 10,5 biljoen lire. Tatò heeft in februari gezegd dat de omzet over 1993 met elf procent is gestegen, en dat de netto winst op hetzelfde niveau zal liggen als het jaar daarvoor. Van verschillende kanten worden bij de winstcijfers vraagtekens gezet, omdat die tot stand is gekomen nadat op de balans inkomsten zijn meegeteld die ook door Fininvests accountant, Arthur Andersen, zijn bekritiseerd. Het gaat daarbij om twee als onzeker aangeduide posten voor een totaal van 500 miljard lire en een aanvechtbaar belastingvoordeel van 172 miljard lire. De onduidelijke financiële situatie van de groep vormt een extra complicatie bij eventuele verkoopplannen.

    • Marc Leijendekker