Zonder huilen geen beschaving; Lieve Lasten, over het dragen van kinderen

De verschillen tussen de volkeren zijn immens, maar die tussen pasgeboren kinderen nihil. Het begint telkens opnieuw met een te klein nekje, een te groot en te zacht hoofd, en met ledematen die nergens voor deugen.

Lieve Lasten. Tropenmuseum, Linnaeusstraat 2, Amsterdam. T/m 28 aug. Ma t/m vr 10-17u, za en zo 12-17u.

In het Tropenmuseum te Amsterdam is een tentoonstelling te zien met de prachtige titel Lieve Lasten. Hij gaat over het dragen van kinderen na hun geboorte, en veroorzaakt om te beginnen een stevige heimwee. Je ziet je eigen kinderen wegscheuren op hun rammelende fietsen en je weet: de meest fysieke en vanzelfsprekende periode van het ouderschap is een herinnering aan het worden. Het dragen, wiegen en voortduwen van kinderen is verleden tijd.

Als deze tentoonstelling je een ding leert, dan is het dat je, in de periode van het rondzeulen, voor dezelfde opgave stond als om het even welke Inuit-eskimo of Paiotes-indiaan. Dit is een prettige ontdekking, en hij bezorgt je een warm volkenkundig gevoel. Misschien is dat ook meteen de kritiek die je op zo'n typische Tropenmuseum-expositie kunt hebben. Het gaat er, in de vage, en altijd ook enigszins gefiguurzaagde schemering van de populaire antropologie enigszins baarmoederlijk aan toe. Je drentelt van caroussel met aangeklede poppen naar wereldkaart met oplichtende lampjes, van klank-en lichtspel naar fantasierijk verlichte vitrine, en denkt: gunst, wat is de mens toch gelijkluidend. Je verlangt zeer naar het dure boek met de achtergronden, want als je nieuwsgierigheid hier al wordt gewekt, hij wordt niet bevredigd.

Hertekalveren

Mensenkinderen, heeft de paleontoloog Stephen Gould vorig jaar bij Wim Kayzer verteld, komen in de moederbuik niet af. Hun schedels zijn nog niet klaar, eigenlijk zijn ze grote foetussen die na hun geboorte een flinke periode van baarmoederlijke bescherming nodig hebben. Daags na de geboorte van mijn eerste kind reed ik langs de hertenkamp. Er waren diezelfde nacht hertekalveren geboren en ze renden al naar de liezen van hun moeders. Ze wisten blindelings waar je moest zijn om te overleven. Moederschap was achter deze afrastering een kwestie van blijven staan tot de kinderen zich zelf aanlegden; vaderschap van kauwen op een grasspriet en wachten op het uitbotten van je nieuwe gewei.

Onze babies rennen niet op ons af; ze klampen zich niet eens aan ons vast. Ze zijn onbedaarlijk onaf. Dat wat wij cultuur noemen is misschien wel het antwoord dat we moeten bedenken op deze hulpeloosheid. Als dat antwoord niet wordt gevonden is er maar weinig dat volledig uitsterven kan voorkomen. Er moet voor alles gezorgd worden. Letterlijk voor alles. Bij mensen spreekt niets van zelf, zelfs het behoud van de soort niet.

In de stam waar ik zelf toe behoor bestond er een orde van sjamanen die op zich had genomen ons, kersverse ouders, tot de juiste handelingen ter overleving van de soort aan te zetten. Die orde heette Zuigelingenzorg. Zij beschikte over de navelbandjes, de know how, de weegschaal en het formulier waarop de Vorderingen werden bijgehouden. We moesten met ons kind naar haar toe. Wij waren de hulpelozen, en zij was de moeder. En ook zij vond dat ons kind niet af was.

Over een voorname kwestie verschilden wij overigens met haar van mening. Ons kind huilde, gemeten naar het zorgvuldig bijgehouden landelijk gemiddelde, niet veel, maar altijd nog genoeg om bij ons een volkomen nieuw soort onrust te veroorzaken. Nu ik het boek bij Lieve Lasten heb gelezen begrijp ik dat dit huilen een van de Grote Beginselen van iedere beschaving is; er wordt althans in aanleg overal ter wereld door pasgeborenen even veel gehuild. R.G. Barr, die een vergelijkend onderzoek naar huilen en dragen heeft gedaan, is een wetenschapper, dus zwiept hij niet met zijn conclusies. Hij stelt vast dat er bij ons, niet-dragers, langer gehuild wordt, maar niet vaker. De babies van de San-indianen, die hun hele zuigelingenschap in een soort slendang dicht tegen hun moeder aan geklemd doorbrengen huilen ook, op dezelfde tijden, maar korter. 'De frequentie, de verdeling van huilen over het etmaal, was in beide groepen gelijk'.

Toch zou je uit zo'n prachtig onderzoek een groot, niet te falsifieren denkbeeld willen overhouden, bijvoorbeeld: zonder huilen geen beschaving. Hoe dan ook: Zuigelingenzorg vond dat we niet moesten toegeven aan het gehuil, want dan zou er gewenning ontstaan.

Gewenning waaraan? vroegen wij.

Het stond volgens de Zorg vast dat gewennen zou leiden tot verwennen, en verwennen, in een fatalere, latere fase, tot verslaving en ook vandalisme.

Wieg

Cultuur is, behalve een zo elegant mogelijk antwoord bedenken op de hulpeloosheid van de soort, vooral ook rationaliseren; redeneringen bedenken bij krachtige opvattingen. En de krachtige opvatting van de Zorg was dat het centrum van de baby-wereld de kinderkamer was, en de wieg. Die vormden de baarmoederlijke bescherming waar Gould het over had, en voor het overige moesten we leren vertrouwen op de Regelmaat die de Zorg ons bij trachtte te brengen, en op Tijdsindeling. Maar wij huldigden, zonder het te weten, een volkenkundiger opvatting, alsof we jagers/verzamelaars waren.

Zo bleek na een paar weken dat ons kind, als het langs de boekenkast werd bewogen, liggend op een arm (die van iedereen kon zijn), rustig werd. Het voorbijglijdende patroon van rechtopstaande dichtbundelruggen zei het kind klaarblijkelijk iets, het was alsof het patroon (dat ik mij voorstel als, in zijn ogen, een soort Maya-ornament) hem bezighield. Hetzelfde ontdekten we toen we het ongeveer tegelijkertijd gingen rondrijden in een kinderwagen. Het was juni en je kon goed zien hoe kalm hij werd van staren naar de stroom lichtplekken in de bladerkronen.

In ieder geval beseften we dat het centrum van zijn, en dus onze wereld niet het huis, het nest was, maar datgene waar het kind in lag of hing. Ik herinner me die periode, die uiteindelijk bijna twee jaar per kind heeft geduurd, dan ook niet als een die me gekluisterd hield aan huis, maar juist als rusteloos en beweeglijk. Het was, geloof ik, de heerlijkste tijd van mijn leven, ook al was het zeker ook de hersenlooste. Toch zou ik, als ik haar over mocht doen, radicaler voor de beweeglijkheid kiezen, en trachten op wereldreis te gaan.

Wat me opviel van de tentoonstelling is dat de Vreemde Volkeren hun kinderen zo dragen dat ze van hun moeder alleen de achterkant zien, en dat ze voor hun moeder onzichtbaar zijn. Wij duwden daarentegen ons kind voort terwijl het omhoog keek; zodra het kon zitten duwden we het voor ons uit; en ten slotte hebben we het neergezet in wat toch wel de triomf van het dragen genoemd kan worden: het zitje aan het fietsstuur. Aan dat zitje wordt, als ik afga op deze expositie, door de volkenkunde weinig aandacht besteed. In alle gevallen konden we, hoe dan ook, naar ons kind kijken, of met hem mee.

Wat dat betekent weet ik niet precies.

Macht

Het heeft iets met vergewissen te maken, en dus, misschien, met onzekerheid. Het kan zijn dat onze cultuur, waar per ouderpaar maar enkele kinderen geboren worden, en dat dan ook nog met voorbedachte rade, ons nooit helemaal kan doen geloven dat een kind werkelijk bestaat. Het was in ieder geval alsof ik mijn ogen niet vertrouwde als ik keek naar iets, dat toch werkelijk 'iemand' genoemd moest worden, _ terwijl hij tegelijkertijd zo totaal afhankelijk van me was, en door zo afhankelijk te zijn zo'n immense macht over me uitoefende.

Er klopte iets niet, ik moest iets onbegrijpelijks steeds maar delgen met kijken en mezelf toespreken. Als ik ergens niet op was voorbereid, dan was het op zoveel macht uitgeoefend door iemand die je, wilde je soms wel denken, toch zelf had gemaakt.

Misschien dat ik daarom sommige moderne vrouwen wantrouw _ wanneer ze wel een kind willen, maar niet hun leven veranderen, de borst niet geven, drie maanden na de geboorte al een creche hebben geregeld. Ik kan me geen vrijheid voorstellen die belangrijk genoeg is om het gezeul te willen missen. Als je het leven zo regelt dat zuigelingen om zo te zeggen als hertekalveren worden, die, dankzij een ingewikkelde organisatie, buiten je om, zelf overleven, dan kom je uiteindelijk, geloof ik, in conflict met het hele idee zorg.

Het kan zijn dat mijn geheugen me parten speelt, en dat ik te zonnig terugkijk op de periode die Lieve Lasten in kaart brengt. Hoe dan ook, het meest was ik tijdens de tentoonstelling onder de indruk van die draagwiegen die zo waren versierd met symbolen, dat het zieltje werd beschermd tegen boze geesten. Soms leken de draagwiegen op gestileerde kinderlijfjes, op doodskistjes zelfs, en in sommige worden, naast het kind, magische voorwerpen gelegd, _ als gaat het kind, gedragen en wel, scheep, als is de draagster een soort veerman.

En bij de Sioux-indianen blijft de moeder de draagwieg dragen ook als het kind gestorven is _ met in plaats van het kind stekelvarkenpennen er in.

    • Willem Jan Otten