Werk aan de onderkant

MEER BANEN. Daar draait het om in het kabinetsbeleid, in de ruzietjes over koopkracht, in de berekeningen van het Centraal Planbureau en in de verkiezingsprogramma's van de politieke partijen. De werkloosheid loopt op met vierhonderd mensen per werkdag, maar als volgend jaar de economie aantrekt, blijft daling van de werkloosheid naar verwachting uit. Dat is niet alles: naast de geregistreerde werkloosheid heeft Nederland nog de omvangrijke inactiviteit die is ondergebracht in de uitstroomarrangementen van de verzorgingsstaat.

Nederland, blijkt uit internationale vergelijkingen, geeft veel uit aan uitkeringen. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt bestaat vrijwel geen verschil tussen uitkeringen en inkomsten uit werk. Met de instandhouding van het wettelijk minimumloon - de CAO's liggen daar met hun laagste schalen aanzienlijk boven en worden aan hele bedrijfstakken opgelegd - worden de fundamentele economische verschuivingen ontkend die in Nederland en in de internationale economische verhoudingen plaatshebben. Onder weinig benijdenswaardige omstandigheden zijn werknemers in nieuwe landen bereid tegen een fractie van het Westeuropese loonpeil te werken. En tegelijkertijd hebben de Westeuropese economieën een sterke aantrekkingskracht op arbeidskrachten uit Oost-Europa en ontwikkelingslanden die bereid zijn hier 'onder de prijs' te werken. De zogenoemde Derde wereld ondergraaft als het ware van binnen uit het officiële loongebouw van de sociale partners.

Het vangnet van de Europese sociale zekerheid begint het te begeven nu de werkloosheid een crisisachtig record heeft bereikt. Zie de rellen in Frankrijk: het voorstel om de Franse jeugdwerkloosheid terug te dringen door de jeugdlonen los te koppelen van het minimumloon, is stukgeslagen in de straatgevechten in Parijs en andere steden.

IN DE VS ZIJN de reële lonen het afgelopen decennium zo'n twintig procent gedaald. Deze loondaling heeft gezorgd voor werkgelegenheid voor immigranten en in het algemeen voor een lage werkloosheid ondanks een voortgaande sanering van het Amerikaanse bedrijfsleven. In West-Europa zijn de lonen - beter gezegd: de bruto loonkosten - inflexibel. De economische aanpassingen vertalen zich in werkloosheid. De afhankelijkheid van uitkeringen levert een met de VS vergelijkbare inkomensdaling op, maar tegenover dat lagere inkomen staat geen werk. De sociale zekerheid houdt de vicieuze cirkel van hoge premies en hoge loonkosten en bijgevolg de uitstoot van werk en afweer van nieuwkomers in stand.

De regering-Clinton wil de Europese nadruk op scholing en werkervaringsplaatsen overnemen. Hoewel scholing ongetwijfeld een rol speelt, wordt het effect ervan als oplossing van de werkloosheid aan de onderkant van de arbeidsmarkt overschat. Het zijn immers juist de banen waarvoor geen of weinig scholing nodig is die perspectief bieden voor intreders in de arbeidsmarkt. Dat kan West-Europa van de VS leren: hier is veel ongeschoold werk weggesaneerd.

DE TERUGKEER VAN ongeschoold werk is afhankelijk van (veel) lagere loonkosten en sterk verhoogde hindernissen op de weg naar het uitkeringsalternatief. In het Nederlandse debat over werk, de arbeidsmarkt en de sociale zekerheid zal hiermee veel meer rekening moeten worden gehouden. Een ongedifferentieerde nullijn, bevriezing van de uitkeringen of koppeling van 0,4 procent, waartoe de discussie in Den Haag zich verengt, helpen onvoldoende.