Waarom moet ik amandla schreeuwen? Etienne van Heerden over blanke Zuidafrikanen

Etienne van Heerden: Casspirs en campari's. Vert. Riet de Jong-Goossens. Uitg. Meulenhoff, 543 blz. Prijs fl.55,-.

In het centrum van Kaapstad, in een glazen gebouw, zetelt reclamebureau Melck-Malan. 'Ik ben copywriter bij een liegfabriek', zegt Erwin, het jongste directielid en tevens de 'held' van Etienne van Heerdens roman Casspirs en campari's. Deze held belichaamt de verschillende werelden in het boek. De ene wereld is die van het succes en de macht, de wereld van de campari's die in de kringen rondom de president gedronken worden. De andere is die van de onderdrukking en het geweld, van degenen die met casspirs, hoge, gepantserde militaire voertuigen, de townships in (moeten) rijden en van degenen die de casspirs dreigend op zich af zien komen. Casspirs en campari's bestaat uit korte tekstgedeeltes van drie a vier bladzijden waarin allerlei mensen verslag doen van iets dat ze meemaken (er wordt nogal veel in de onvoltooid tegenwoordige tijd geschreven), een herinnering ophalen, of voor zich uit mijmeren. Degenen die dat doen zijn voornamelijk twee collega's van Erwin uit de liegfabriek, zijn geliefde Hari, en de bruine jongen Seun die in 'de struggle' zit. En natuurlijk Erwin zelf, die, begrijpen we al gauw, al deze stemmen laat klinken terwijl hij zit te schrijven in een groot huis in het hartje van Zoeloeland. Erwin vraagt zich wel eens dingen af over wat hij aan het schrijven is: “Welke tekst moet ik gebruiken? Welke bevat de waarheid? Deze flamboyante? Of die andere in ijskoude sophisticated stijl?” Zo is dit boek meteen al, behalve een roman over een verscheurde wereld, ook een roman waarin de rol van de roman, de taal van de roman, de schrijfhouding en de rol van de schrijver aan de orde komen. Alles vanzelfsprekend en zonder duurdoenerij.

Het is voor een Zuidafrikaanse schrijver moeilijk om niet over de toestand in zijn land te schrijven. Natuurlijk zijn er wel die dat niet doen, zoals J.M. Coetzee, al kun je je ook over zijn boeken afvragen of ze niet eigenlijk en uiteindelijk wel degelijk over 'het probleem' Zuid-Afrika gaan, maar de meeste schrijvers voelen de behoefte om zich duidelijk uit te spreken. Helaas garandeert dat engagement niet per se goede romans. Andre Brink bij voorbeeld is in de loop der jaren steeds meer iemand geworden met een Boodschap, met Goeden en Slechten en politieke pamfletten in zijn romans, die steeds meer een vehikel werden voor wat hij wilde beweren. Van Heerden heeft ook een standpunt dat hij niet wil verdoezelen, maar hij is leniger en grilliger en zijn roman is doorvlochten met tegenstemmen.

Nederburg Baronne

De roman is geschreven in 1991 en speelt in de twee of drie jaar voor de vrijlating van Nelson Mandela in 1990. Daar, bij die belofte van een nieuw Zuid-Afrika houdt het boek op. Dat het aanbreken van een nieuwe tijd niet voor iedereen even dringend was, is dan wel duidelijk geworden. Wie in een dure BMW langs de kustweg bij Kaapstad scheurt, wie de ene na de andere fles rode Nederburg Baronne open trekt, wie een flatje-met-zwembad aan zee heeft om er in het weekend even tussen uit te breken, die heeft niet zo veel last van wat er intussen in de townships gebeurt, die heeft hooguit last van zijn geweten.

Een van Erwins goedverdienende collega's, niet harteloos maar zeer gedistantieerd, schrijft teksten voor een cabaret. Een daarvan gaat over de zogenaamde 'chickenrun', de neiging van blanke, goed opgeleide Zuid-Afrikaners om te emigreren 'nu het nog kan'. Degenen die dat overwegen stikken in het schuldgevoel en proberen zichzelf daar tegelijkertijd van te bevrijden. Dat levert halfslachtige verdedigingen op als de volgende: “Verdomme man, wij hebben ook recht op leven. Op een goed leven. We hebben niet gezegd Lieve Heer zet hier zoveel miljoen onopgevoede zwarten neer en tegelijk met hen een handjevol opgevoede blanken; laat de eerste en de derde wereld hier schouder aan schouder staan. Dat hebben we niet, of wel soms?”

De cabaretier voor wie deze tekst bedoeld is, zegt vermoeid: “Dat eindeloze gedram kennen we zo langzamerhand wel.” En dan is het probleem er weer: hoe moet een linkse Afrikaner vorm geven aan zijn protest. In de zwarte struggle voelt hij zich, wit, cynisch en goed opgeleid als hij is, niet thuis, maar een alternatief is er niet. Erwin klaagt op een gegeven moment: “Waarom moeten wij Afrikaanse democraten toyi-toyi-en [dans van zwarten die is gaan horen bij protestmarsen en bijeenkomsten], en waarom moeten we 'amandla' roepen en 'abasha' hier en 'abasha' daar? Alsof wij niet in staat zijn met onze eigen spreek- en lichaamstaal vrijheid uit te drukken! Ik voel me gewoon niet zo vrij wanneer ik 'amandla' schreeuw als wanneer ik 'macht, macht' of 'vrijheid, vrijheid' in mijn eigen taal kan roepen.” Zijn vrouw lacht hem uit, maar hij heeft wel iets gezegd dat het probleem van menig blanke Zuid-Afrikaan weergeeft. STIJL geen onderdeel van headerstijl

Schuldig

De rijke succesvolle mannen die op het reclamebureau werken (vrouwen zijn er uitsluitend secretaresse) hebben bovendien nogal wat te verliezen als ze protesteren tegen de bestaande, streng gehandhaafde orde. Dus blijven ze maar zitten zeuren, noemen zichzelf 'praktisch' of 'realistisch' en voelen zich schuldig. Erwin, de held, weet zich aan deze spiraal te onttrekken. Hij weigert op een gegeven moment nog langer mee te doen, maar niet dan nadat hij zich, onder steeds luider protest van zijn geweten, behoorlijk gecompromitteerd heeft met de wereld van de campari's.

Erwin worstelt lang met het conflict tussen belangen en overtuigingen. We komen er flarden van te weten, flarden uit zijn leven in de Kaap, een yuppieleven van 'fragmentarische haast' waarin het doel was om 'superfit te blijven op surfplanken of racefietsen', een wereld van geld en macht en drank. In afwisseling met die Kaapse fragmenten lezen we gedeeltes uit het leven van Erwin en Hari dat daarna is gekomen, na hun verbanning naar Zoeloeland waar ze niet buiten de tuin om het huis mogen komen. Ze leiden daar, noodgedwongen, een leven van inkeer, waarin letterlijk een uitweg gezocht wordt uit de hopeloos lijkende toestand.

Tussen al deze tekstgedeeltes vinden we geregeld een paar regels met een naam erboven. 'Xoliso Jacobs' bijvoorbeeld. “Xoliso Jacobs overleed op 22 oktober 1986, na 129 dagen gevangenschap in Upington: 'Zelfmoord door ophanging'.” Dat zijn geen verzonnen namen.

Zelden treft men een roman waarin zo veel 'echt' is: straatnamen (wie de plattegrond van Kaapstad ernaast legt kan elk personage feilloos volgen), namen van winkels, bedrijven en mensen, zoals aartsbisschop Tutu, Allan Boesak, Jakes Grewes, Steve Biko. Dat werkt heel sterk: alles wordt waar. Dat komt ook door Van Heerdens stijl, die door de vertaalster goed getroffen moet zijn. Ongegeneerd laat hij de reclamejongens hun toffe reclametaal uitslaan, cabaretiere Hari en haar collega's zijn acteurs met gezanik over integriteit, Seun uit de struggle zegt tegen zijn moeder “The people are rising. Jullie moeten hier op het land ook wakker worden.” Men moet maar durven, als schrijver, om zo veel helemaal niet of niet helemaal oprechte personages op te voeren, die zo veel cliches, leugens, slogans en kromme redeneringen uitkramen. Van Heerden durft dat met de grootste vanzelfsprekendheid. En hij is volkomen overtuigend.xp