Vroeger verdacht, nu vereerd; Museum voor kunstverzamelaars in Moskou

In de Sovjet-Unie was het verzamelen van kunst een uiterst verdachte bezigheid, die waar mogelijk bestraft diende te worden. Nu is er in Moskou een staatsmuseum geopend ter ere van kunstverzamelaars. Werken van Rembrandt, Repin, Rodtsjenko en vele anderen die jarenlang waren opgeborgen in appartementen, zijn ineens voor iedereen te zien.

Museum voor prive-collecties. Volchonkastraat 14, Moskou (metro: Kropotkinskaja). Wo. t/m zo 12-19u. Tel. 70-95-2039578.

In elke zaal van elk Russisch museum zit wel een suppoost om bezoekers te berispen wegens overtredingen die alleen haar duidelijk zijn, en het nieuwe museum voor prive-collecties in Moskou lijkt daarop geen uitzondering. Totdat iemand wat langer blijft stilstaan voor een van de schilderijen van Aleksandr Tyschler. “Mooi he,” zegt dan een onverwacht warme stem. Wie instemmend knikt kan ook nog een zachte hand op zijn arm verwachten. En desgewenst een uitleg van een uur of langer, want hier surveilleert de 78-jarige Flora Syrkina. De schilder Tyschler was tot zijn overlijden in 1980 haar man. Zijn schilderijen waren tot de opening van het museum vorige maand haar bezit. En man en werk zijn tot haar dood haar leven.

Flora Syrkina is een van de twaalf Russische kunstverzamelaars die hun bezit hebben geschonken aan het onlangs geopende museum voor prive-collecties. Het museum - 25 kamers verdeeld over drie verdiepingen in een grondig gerenoveerd achttiende-eeuws stadspaleis - is een dependance van het bekende Poesjkin-museum. Het ligt er ook pal naast en vormt, zou men kunnen zeggen, een welkome aanvulling.

Terwijl het Poesjkin-museum voor Schone Kunsten het toonaangevende museum van de voormalige Sovjet-Unie is, hangt in het museum voor prive-collecties kunst die de Sovjet-autoriteiten juist wilden weren. Terwijl het Poesjkin-museum hecht aan grote namen, weinig aandacht besteedt aan moderne en nog minder aan Russische kunst, toont de dependance voor prive-collecties ook minder bekende, een paar moderne en vooral veel Russische werken. Terwijl de hal van het sombere hoofdgebouw wordt gedomineerd door een verzameling klassieke beelden en replica's waarvan vooral het formaat indruk maakt, is de zestig treden tellende trap die het hart van de dependance vormt leeg, licht en ruim. Terwijl de bezoeker van het Poesjkin voor het gebruik van de wc lef nodig heeft en voor het gebruiken van een kopje koffie geduld, zoals vaker in Russische openbare gebouwen, is het sanitair in het bijgebouw brandschoon en serveert het cafe niet alleen koffie maar ook kaviaar, zalm en vele soorten taartjes. En voor wie de vergelijking tussen oud en nieuw nog verder wil doortrekken: het is in de dependance veel drukker. Schoolklas na schoolklas komt kijken om te zien wat jarenlang verborgen moest blijven: particulier kunstbezit.

Vleugel

In het nieuwe museum staat niet een stroming of een schilder centraal, maar de verzamelaar. De kleinste verzamelaars hebben voor hun collectie een eigen wand gekregen, de grotere een eigen kamer en de hele grote zelfs verscheidene kamers. Toelichtende teksten naast de tentoongestelde werken vertellen de levensloop van de voormalige eigenaar en in de meeste gevallen hangt er ook een foto. Een enkele keer krijgt de zaal nog een extra persoonlijk tintje: zo staat tussen de landschappen waar de pianist Sviatoslav Richter (1915) kennelijk van houdt, een van zijn vleugels opgesteld. Een mausoleum voor verzamelaars.

De collecties zijn dus bijelkaar gehouden zoals ze zijn geschonken, of dat nou past of niet. Acht illustraties die Salvador Dali in 1969 maakte bij Goethes Faust hangen niet ver van een stilleven met bloemen van de zeventiende-eeuwse Vlaming Jan Bosschaert. Vanuit de twee zalen met werken van de constructivist Aleksander Rodtsjenko is het maar een hoekje om naar de naturalistische landschappen en portretten van Ilja Repin. Er hangen ook nog ergens 75 iconen. Maar als de in het nieuwe museum bijeen gebrachte collecties representatief zijn, genoten bij verzamelaars in de Sovjet-Unie vooral negentiende-eeuwse landschappen en portretten zoals Repin die maakte de voorkeur. Socialistisch-realisme, de stroming van het Sovjet-regime zelf, is opvallend afwezig.

Dat elke collectie een expositie op zichzelf is, maakt een wandeling door het museum tot een soort smaaktest: de bezoeker begint zich al snel af te vragen wat hij van de voorkeur van een verzamelaar vindt.

Maar wat ze ook bijeen hebben gespaard, in het mooi uitgegeven museumgidsje worden alle verzamelaars uitbundig geprezen, alsof het een bijzonder verdienstelijk mensensoort betreft. We lezen er over de 'nobele hobby' van de verzamelaars, over hoe zij onder het communisme 'hun sublieme missie dapper voortzetten' en over hoe zij daarmee een 'onschatbare bijdrage' hebben geleverd aan de cultuur. De loftuitingen zijn begrijpelijk, want in de Sovjet-Unie was het verzamelen van kunst een verdachte en soms zelfs gevaarlijke bezigheid. Schilderijen dienden te worden gemaakt en geexposeerd onder leiding van de Partij en die had daarbij ook nog zijn eigen voorkeur. Handelaren konden wegens 'speculatie' in de gevangenis terechtkomen. Of zoals de museumgids meldt: “De revolutionaire houding om te vernietigen teneinde iets nieuws te scheppen trof niet alleen musea en kunstverzamelingen maar ook de verzamelaars zelf.” Het is wel wat ironisch deze woorden te lezen in een publikatie van uitgerekend het Poesjkin museum. Veel topstukken van het Poesjkin (en van de Hermitage in Sint Petersburg) zijn ook bijeengebracht door particuliere verzamelaars: textielbaron Ivan Morosov en industrieel Sergej Sjtsjoekin. Hun tussen 1898 en 1914 opgebouwde collecties, waarin veel schilderijen van Monet, Van Gogh, Matisse en andere westerse meesters, werden na de revolutie brutaalweg genationaliseerd en het enige eerbetoon dat zij daarvoor hebben gekregen was een betrekking als gids in hun eigen huizen, die eveneens in beslag waren genomen. Recente verzoeken van Sjtsjoekins dochter om zijn verzameling weer in zijn oude woning te mogen exposeren, zoals hij in zijn testament heeft gevraagd, vinden bij de directie van het Poesjkin museum geen enkel gehoor.

Tijdens en na de revolutie zijn honderden kunstwerken geconfisqueerd, geruild en verkocht maar niet allemaal kwamen ze in staatsmusea terecht. Soms wisten verzamelaars hun collectie achter te houden, soms besefte een partijfunctionaris in geldnood niet wat hij te ruilen had, en dan doken al dan niet geconfisqueerde schilderijen jaren later ineens weer op. Bij afwezigheid van een commerciele kunsthandel in de Sovjet-Unie was voor het verzamelen van deze werken niet zozeer geld nodig, als wel kennis en lef.

Obsessie

Ilja Silberstein had kennis, lef en het vermogen binnen het Sovjet- systeem overeind te blijven door niet te veel vrijheid te eisen. Al direct na de revolutie van 1917 begon deze kunstcriticus, toen nog geen twintig jaar oud en zoals hij zelf zei 'geobsedeerd door Russische historie en kunst', schilderijen bijeen te zoeken. Het werden er uiteindelijk meer dan tweeduizend, uiteenlopend van een schets van Rembrandt (Abraham en Isaac op weg naar het altaar uit 1643) tot 76 aquarellen van Nikolaj Bestuznjov, een officier die naar Siberie werd verbannen na de mislukte Dekabristen-opstand van 1825 tegen de tsaar. Het zwaartepunt van Silbersteins collectie ligt omstreeks de laatste eeuwwisseling en abstracte kunst vond hij duidelijk minder waard dan afbeeldingen van vrouwen, paarden en gebouwen.

“Alle wanden van al onze kamers hingen vol en dan stonden er nog honderden schilderijen gestapeld tegen de kast,” herinnert zijn weduwe, Natalja Volkova, zich. Zij zetelt op haar 69-ste nog steeds als directeur in het Russische rijksarchief voor literatuur en kunst, waar de muren van haar werkkamer nu geheel leeg zijn, net als die bij haar thuis. “We hebben die schilderijen altijd als onze kinderen beschouwd,” bekent ze. “Maar ja, je kunt je kinderen ook niet voor altijd thuis houden.”

Het was Silberstein die, toen hij ouder werd en zich zorgen begon te maken over de toekomst van zijn collectie, voor een museum begon te pleiten. In 1985 en 1986, kort na het aantreden van Michail Gorbatsjov, beschreef hij in een reeks artikelen in Ogonjok en Literatoernaja Gazeta hoe erg het zou zijn als na de dood van een verzamelaar diens collectie over verschillende personen zou worden verspreid. Het vrekkige nageslacht zou de topstukken zelfs stiekem naar het buitenland kunnen verkopen, waarschuwde hij. Silberstein bepleitte de oprichting van een speciaal museum dat prive-verzamelingen zou beschermen. Hij beloofde dat hij zijn hele collectie daaraan zou schenken. En hij riep anderen op hetzelfde te doen.

De oproepen hadden meteen succes. Verzamelaars belden Silberstein op om hun collectie aan te bieden, vertelt Volkova. “Collectioneurs houden zo van hun kunstbezit dat ze bereid zijn het gratis weg te geven als ze maar zeker weten dat de collectie na hun dood bij elkaar blijft.” En in het museum zoals Silberstein dat voor ogen had, zouden de kunstwerken in handen komen van experts die ze zouden conserveren, catalogiseren en tentoonstellen. “Natuurlijk heeft de gedachte meegespeeld dat in zo'n catalogus of tentoonstelling ook de naam van de verzamelaar zelf zou voortleven. Daarmee zou dan na al die jaren eindelijk eens worden erkend dat ze iets goeds hebben gedaan.”

Silberstein kon de aanbiedingen niet aan. “Mensen kwamen spontaan met schilderijen aandragen waarvoor we thuis absoluut geen plaats hadden,” zegt Volkova. Haar man wendde zich enigszins wanhopig tot de directeur van het Poesjkin-museum, Irina Antonova. En voordat Silberstein in 1988 overleed had hij haar tot zijn idee bekeerd en zijn hele collectie aan haar overgedaan.

Stalinist met rok

De rol die Irina Antonova, al meer dan twintig jaar directeur van het Poesjkin-museum, heeft gespeeld zal wel nooit helemaal duidelijk worden. Antonova is bijna moeilijker te spreken te krijgen dan president Jeltsin en ze is zeker meer omstreden. In kunstenaarskringen wordt zij beschimpt om haar vermeende minachting voor moderne kunst. Een 'stalinist met een rok aan', zo wordt zij wel genoemd. De typering roept wellicht herkenning op bij de Nederlanders die zijn betrokken bij de verdwenen Koenigscollectie, een kleine 500 tekeningen van oude meesters die door de Nederlandse staat worden opgeeist. Antonova heeft altijd glashard ontkend dat zij de tijdens de Tweede Wereldoorlog vanuit Duitsland meegevoerde verzameling in beheer heeft, hetgeen inmiddels bijna algemeen bekend is.

“Antonova heeft het altijd over 'Silberstein en ik', alsof ze alles samen hebben bedacht, maar dat is onzin. Hij kwam met zijn plan en zij wilde wel mooie stukken hebben om haar museum uit te breiden,” zegt Aleksej Savinov, conservator van het museum voor prive-collecties. Savinovs kantoor in het door een Fins bedrijf gerestaureerde museum is wit en schoon als een tandartspraktijk. Maar zodra Savinov over zijn superieur wordt gevraagd, gedraagt hij zich als in een politiecel. Slechts met tegenzin wil hij iets vertellen.

Het is, zo haast hij zich te zeggen, de grote verdienste van Antonova dat het nieuwe museum er uiteindelijk is gekomen. Zij heeft onophoudelijk om geld gevraagd bij al haar kennissen in de politiek, en dat zijn er nogal wat. “President Gorbatsjov, president Jeltsin, premier Tsjernomyrdin, vice-premier Gajdar, president van de Centrale Bank Garasjenko, burgemeester Loezjkov, allemaal hebben zij de afgelopen jaren Antonova op bezoek gehad met haar gedram over het museum,” vertelt Savinov. Silberstein had zijn zinnen gezet op het achttiende-eeuwse paleisje van de invloedrijke familie Golitsyn. In de tweede helft van de negentiende eeuw had de familie het opengesteld als kunstenaars-pension maar in de tweede helft van de twintigste eeuw was het een kantoor voor auto-export geworden. Antonova werkte de firma Avto-export eruit, liet tientallen schilderijen opnieuw inlijsten en ze kreeg elke roebel van de omgerekend tien miljoen dollar die het museum heeft gekost los van de overheid.

Verkoop

Toen de verbouwing eenmaal was begonnen, kwamen de verzamelaars zelf met hun collecties aandragen. Of als zij al waren overleden, soms de nabestaanden. Zo doneerde de familie van de constructivist Aleksandr Rodtsjenko tientallen van zijn werken. Het museum heeft er geen roebel voor betaald, en evenmin schriftelijke garanties gegeven dat de werken niet zullen worden verkocht. “De enige die in Rusland kunst uit staatsbezit mag verkopen is het ministerie van cultuur, en als dat iets wil trekt het zich toch niets aan van zulke documenten,” verklaart Savinov. “Het is allemaal op basis van persoonlijk vertrouwen gegaan.”

Wel zijn er verscheidene collecties geweigerd omdat er, volgens Savinov, na Silbersteins dood toch een verschil van mening bleek te bestaan tussen de verzamelaar en de museumdirecteur. “Hij wilde een museum over het verzamelen zelf, waarbij alle kunst zou worden geaccepteerd die een bepaalde verzamelaar bijeen had gebracht. Antonova wilde vooral werk van gevestigde namen.” Het zijn hoofdzakelijk twintigste-eeuwse werken die zijn geweigerd, maar dit laatste wil Savinov alleen met een knikje van zijn hoofd bevestigen. Het verlangen van voorbeelden is teveel gevraagd: het gaat tenslotte toch over zijn baas. Andersom hebben ook verzamelaars geweigerd hun collectie ter beschikking te stellen, bevestigt Savinov desgevraagd, juist omdat zij niet wilden dat deze in handen van Antonova zou komen. “Ieder heeft nu eenmaal recht op zijn eigen smaak.” Dat is alles wat hij ervan wil zeggen.

Aleksandr Tyschler was als schilder wel modern, maar in Rusland niet onbekend en zijn magisch-realistische werken waren welkom. Na een telefoontje van Antonova - een 'vriendin' over wie zij geen kwaad woord wil horen - heeft weduwe Flora Syrkina 43 schetsen zelf onder de arm genomen en naar het museum gebracht. De achttien schilderijen werden later opgehaald met een vrachtwagen. Alleen de woonkamer van haar appartement hangt nog vol met werk waarvoor ze zelf model heeft gestaan, dat zal pas na haar dood naar het museum gaan. Maar onder de divan ligt niets meer, zo laat Syrkina zien, en ook de kleine slaapkamer en de krappe gang zijn opgeruimd. Er is nu plaats voor een televisie en een videorecorder, waarop ze nog geregeld de band draait van het programma dat de Russische tv drie jaar geleden over haar man toonde en waarin hij met Picasso wordt vergeleken.

Miljonair

“De meest gestelde vraag is waarom ik zijn werk gratis heb weggegeven,” klaagt Flora Syrkina over de belangstelling van de museumbezoekers. “Ze zeggen dat ik miljonair had kunnen zijn.” Geld is een groot goed in het huidige Rusland. Maar Flora heeft geen seconde getwijfeld. “Tyschler wilde niets liever dan dat zijn schilderijen gezien zouden worden. Hij heeft zijn hele leven voor tentoonstellingen moeten vechten. Nu er museum in het centrum van Moskou bereid is zijn werken mooi op te hangen, wordt eindelijk zijn wens vervuld.”

Aleksandr Tyschler (1898-1980) heeft het tijdens zijn leven inderdaad niet gemakkelijk gehad. In de jaren dertig werd hij beschuldigd van formalisme en kwam er een discussie op gang of schilders als hij nog wel recht hadden op kwasten en verf. Tyschler moest, zoals zoveel collega's, zijn toevlucht nemen tot het ontwerpen van theater-decors. Tussen de dood van Stalin in 1953 en zijn eigen dood in 1980 heeft Tyschler uiteindelijk nog vijf tentoonstellinkjes mogen organiseren, waarvan drie in een zaaltje aan de rand van de stad. De Tretjakov-galerie heeft een aantal van zijn werken gekocht, maar niet opgehangen. Na zijn dood mocht Flora Syrkina eindelijk een grote overzichtstentoonstelling organiseren, die echter pas in 1988 werd geopend. Voor Tyschler kortom, biedt het museum voor prive-collecties een kans zoals hij die in zijn leven nooit heeft gehad.

Laat op de avond na de opening van het nieuwe museum, die uitgebreid op televisie was te zien, ging bij Flora Syrkina thuis de telefoon. Ze herinnert zich het korte gesprek nog letterlijk. “Het was een vrouwenstem. 'Wie is daar?', vroeg ik. 'Dit is Tamara. Ik heb je op tv gezien, het was mooi'. Daarna werd er opgehangen.” Tamara blijkt het stokoude vrouwtje te zijn dat samen met haar zus het graf van Tyschler verzorgt op de Novo Kuntsevo begraafplaats. “Ik vatte dit op als een telefoontje van hemzelf,” zegt Flora. “Hij heeft me laten weten dat hij nu gelukkig is.”

    • Hans Nijenhuis