Voor wie zijn ze eigenlijk ongelukkig? De vernietigende kracht van ontwikkelingshulp

Dat ontwikkelingshulp niet helpt, is allang bekend. Vaak heeft hulp zelfs rampzalige gevolgen. Waarom blijven we dan toch doorgaan met helpen, en voor wie doen we het? “Wat we ervoor terugkrijgen, elk jaar, is de zekerheid dat we goed hebben gedaan.”

Dit is een enigszins bekorte versie van een lezing die Gerrit Krol op 11 maart uitsprak voor het literaire centrum Perdu in Amsterdam.

Een tijdje geleden landde er op Schiphol een vrachtvliegtuig uit Rwanda dat aan geen enkel voorschrift voldeed. Zwartgeschilderd, zonder nummer, met gouden bloemen, versleten banden en een losse motor, of vleugel. Het vliegtuig mocht niet blijven staan waar het stond en werd afgevoerd naar een stuk weiland. Later hoorde ik tot mijn verbazing dat het weer was opgestegen en vertrokken.

Wat me bijbleef was de suggestie dat in ons nette Nederland voor dit soort grappen geen plaats meer is.

In de discussies over een rechtvaardiger verdeling van het geluk in de wereld duiken onveranderlijk twee constanten op: wij en zij. Wij zijn rijk en zij zijn arm.

De rijken zijn tevreden met het bestaan dat hun brood en spelen geeft en de middelen biedt nog rijker te worden, nog gelukkiger, mogelijk een tikje gedrukt door het schuldige gevoel dat niet iedereen dit geluk deelachtig is.

Over de distributie van het geluk heeft Kurt Tucholsky 's een verhaaltje geschreven, dat begint met de onvergetelijke zin: “Voor wie ben ik eigenlijk ongelukkig?”

Uit de vraag spreekt meteen al een troostend evenwicht: goed, ik ben dan wel ongelukkig, maar dat ben ik voor het bestwil van die en die. Hoe ongelukkiger ik ben, des te meer geluk is er beschikbaar voor de anderen. Deze edele gedachte wordt als volgt uitgewerkt. Als statistisch een op de tien reizigers hun trein missen, dan mis ik mijn trein opdat de andere negen tijdig kunnen instappen. Als er in het Casino gemiddeld 2786 worpen met de dobbelsteen nodig zijn om een keer te winnen, dan ben ik onder die 2785 - dat helpt de uiteindelijke geluksvogel. Als ik op het noorden woon, woont hij op het zuiden. We zijn, aldus Tucholsky, op een ronde schijf met elkaar verbonden als de twee mannetjes van het weerhuisje. Als ik buiten sta regent het, als hij buiten staat schijnt de zon. Hij staat altijd buiten - de loeder. Hij heeft voortdurend geluk - en ik ben het die het hem geeft. Ik hoor geen dankjewel. Zou hij weten dat ik besta?

Vrijheid is een recht dat de mens in de gelegenheid stelt zelf zijn plichten te definieren, waaraan nieuwe rechten kunnen ontspruiten. Hoe minder plichten, hoe minder rechten in het algemeen. De mensen worden vanzelf gestimuleerd zich te ontplooien; idealiter als de takken van een boom: de ene is groter dan de andere, maar geen van die takken zit de andere in de weg. Het vermogen van de mens van iets iets anders te maken, spant nieuwe culturen op. Daar is 'cultuur' mee gedefinieerd. Cultuur omvat allerlei activiteiten: technische, bestuurlijke, sociale, commerciele, wetenschappelijke, artistieke, spirituele, religieuze. Van al deze activiteiten zijn, hoe plat dat ook moge schijnen, de technologische maatgevend. Waar de techniek faalt, kunnen we niet besturen, geen handel drijven, geen wetenschap beoefenen, geen muziek uitvoeren en ook andere kunsten kunnen het zonder de techniek nauwelijks redden. Zonder techniek blijven alleen de religieuze en spirituele componenten van onze cultuur over, als oliepitjes, wanneer de stroom is uitgevallen. De vitaliteit van een cultuur meet je af aan de middelen die de techniek haar verschaft.

Cultuur is niet hetzelfde als beschaving. Je zou tot op zekere hoogte kunnen volhouden dat een bijenkorf een soort cultuur is. Maar het is geen beschaving. Beide begrippen worden gemakshalve nogal 's door elkaar gehaald. De Amerikaanse socioloog Bierstedt heeft 's geschreven: “Een Fransman zal zeggen dat Amerika wel een beschaving heeft maar geen cultuur, een Engelsman dat Amerika wel een cultuur heeft maar geen beschaving en beiden bedoelen precies hetzelfde.” Zelf ben ik geneigd de Engelsen gelijk te geven, maar een kenner van de Franse cultuur zal ongetwijfeld de Franse visie steunen. Laten we van deze verwarring gebruikmaken door beschaving te definieren als een cultuur waar de mensen geleerd hebben zich te verplaatsen in de geest van een andere cultuur. In het bijzonder zou je iemand beschaafd noemen als hij of zij laat zien zich te kunnen verplaatsen in de geest van een vreemdeling.

Er zijn een paar plaatsen in de wereld die het ideaal van een werkzame, vredige samenleving van mensen die elkaar min of meer begrijpen - aardig dicht benaderen.

Als we de statistieken mogen geloven, voelt van alle volkeren op aarde het Nederlandse volk zich het gelukkigst. Ongeveer tachtig procent van de telkens weer ondervraagde Nederlanders is tevreden met zijn bestaan, zijn werk, zijn huis, zijn vrienden enzovoort. Belgie en Denemarken scoren bijna even hoog. Ook in die twee landen zijn de mensen over het algemeen best tevreden met hun lot. Maar Nederland staat nummer een.

Er is dus een goede reden om, als we het hebben over een rijke en gelukkige wereld, Nederland te nemen als prototype. Uiteraard is lang niet alles volmaakt in ons land. Minstens twintig procent vindt dat het beter kan en van die twintig procent bestaat een deel uit malcontenten die pas gelukkig zijn als ze kunnen kankeren. Dat kan en mag in Nederland, dus dit soort mensen zou je eigenlijk nog bij die tachtig procent moeten optellen. Voor een ander deel zijn het stuurlui aan wal of politici-in-de-oppositie: het zou Nederland nog een stuk beter gaan als zij het roer in handen kregen. Dit is zeer de vraag. Ik heb het gevoel dat we in ons land de top bereikt hebben. Geen bergspits, maar zoiets als de Ballon d'Alsace: ongemerkt, gaandeweg zeg maar zijn we op het hoogste punt aangekomen, hoger kan niet. Welke kant je ook op gaat, je kunt alleen maar naar beneden.

Politici aan het roer, in Nederland, vertonen het gedrag van een kompasnaald op de magnetische noordpool: ze wijzen alle kanten op, spreken zichzelf tegen omdat ze wel weten, in hun hart, dat het beste is: niets doen. Dit vakantiegevoel weerspiegelt zich in het gedrag van de kiezer in zijn neiging niet meer te stemmen. Behalve die ongelukkige twintig procent. Die is van mening veranderd en stemt natuurlijk op de oppositie.

Soms bekruipt ons de vrees dat we het te goed hebben. De vlam zou wel wat lager kunnen worden gedraaid.

Dat gevoel is niet nieuw. In zijn verhaal 'Vae victis' geeft Nescio een beeld van een zonnig Nederland en van de donkere wolken aan de horizon: “Weldra zouden de fonteinen van de haat alom hoog opspuiten uit zwarte, brokkelige gaten in ons gelijkgeschoren, glanzende gras. Maar nog dronken wij thee en tennisten en reden in onze auto's en werden onderdanig gegroet.”

De profetie dateert van 1917 en is tot op heden niet vervuld, tenminste niet in Nederland. Er is ook geen reden toe: immers bijna iedereen rijdt auto en iedereen kan tennissen als hij dat wil.

In een arm land zijn niet alle mensen arm. Er zijn in arme landen ook rijke mensen, nog veel rijker dan de rijke mensen in een rijk land. Dat verklaart enigszins dat hun landgenoten zoveel armer zijn dan de armsten in een rijk land. Je kunt zeggen dat in arme landen de rijkdom ongelijk verdeeld is - zoals in Nederland anno 1900.

Het is dus duidelijk wat er moet gebeuren. Al die arme landen moeten net zo doen als wij hebben gedaan, dan zijn ze over honderd jaar net zo rijk en zijn de mensen net zo gelukkig. En misschien wel in minder dan honderd jaar, want de lessen die wij geleerd hebben kunnen zij meteen in praktijk brengen.

Zo hebben wij ons verdiept in het wonderlijke fenomeen dat werk heet. Een verschijnsel dat elke morgen terugkeert. Wie oog heeft voor de reikwijdte van een beroep of vak, van de tienduizenden beroepen die er vandaag zijn en beseft hoezeer een vakman in de uitoefening van zijn beroep afhankelijk is van andere vaklieden, ziet hoe ongelooflijk gedifferentieerd de Westerse cultuur is en hoezeer al die verschillende beroepen en soorten vakkennis op elkaar zijn ingesteld. En hoe vrij zo'n samenleving dan nog is, als je je er rekenschap van geeft dat in principe iedereen elk vak kiezen kan.

Wie het geluk heeft van deze werkende gemeenschap deel uit te maken, ervaart dat zijn bestaan een gebonden en een vrije kant heeft. Op een brommer gezeten, leunend tegen een paal omdat hij wacht op groen, is de ochtendlijke werker afhankelijk van de maatschappij die hem voedt, maar de maatschappij op haar beurt is ook afhankelijk van hem, onder anderen van hem, en dat geeft hem een aangenaam gevoel van evenwicht. We stellen ons voor dat hij werkzaam is als elektricien in dienst van een bedrijf dat, samen met andere bedrijven, werk heeft aan de bouw van een nieuwe fabriek in de procesindustrie. Hij werkt volgens tekeningen, die vertellen hem: niet hoe hij werken moet maar: wat hij moet opleveren en wat zijn verantwoordelijkheid is. Het is de verantwoordelijkheid van zijn chef, maar ook van hem en daardoor valt zijn oog op wat je een fout zou kunnen noemen. Die tekening klopt niet, zegt hij. Die klopt wel, zegt zijn chef. Nee, die klopt niet, zegt hij, want ik heb niet genoeg ampere daar. Dat is juist. Hij wordt door zijn chef in het gelijk gesteld en zo is een kleine ramp voorkomen. Hij wacht bij het stoplicht, onze man, steunend tegen een paal en voelt zich wat je noemt jofel.

In een land waar tachtig procent van de mensen tevreden is, hebben de meesten werk dat hun past. In landen waar de mensen niet tevreden zijn, hebben de meesten werk dat hun niet past; het is te zwaar, of te licht, of ze hebben een te laag inkomen. Of een te hoog. Ze kennen hun verantwoordelijkheid niet, of ze durven hun chef niet tegen te spreken.

Omdat, zoals gezegd, de techniek de basis vormt van bijna alle geluk, rusten wij de arme wereld uit met allerlei machines. Landbouwwerktuigen, motoren, schepen, scheepswerven, complete fabrieken en omdat al die soort dingen niet op zichzelf kunnen bestaan, leggen we (infrastructuur!) samen met de arme bevolking wegen aan, bouwen een nieuwe telefooncentrale voor ze, geven ze elektriciteit, goede raad, geld. Dit alles in naam van de ontwikkelingshulp. We hebben hier al veertig jaar ervaring mee. En die ervaring leert ons dat - helaas - de arme landen van onze hulp niets wijzer geworden zijn. Integendeel, ze zijn armer dan ooit.

Ik lees in de krant dat Tanzania sinds zijn onafhankelijkheid in 1960 om op eigen benen te kunnen staan jaarlijks met zo'n miljard gulden geholpen is, dat anno 1994 het totaalbedrag aan hulp 35 miljard gulden heeft bedragen, dat het land bankroet is en aan de hulp die het intussen nog aldoor maar blijft krijgen verslaafd is geraakt. Stopzetting ervan zou zeker de dood van velen betekenen, maar mogelijk ook het begin van 'herstel'. Ik zet dit tussen aanhalingstekens omdat wij wat er dan ten goede zou gebeuren absoluut niet als herstel zouden herkennen.

Het is allang bekend: hulp helpt niet. (Daarom denk ik noemen we het nu samenwerking. Maar het blijft hulp.) Voor wie en waarom doen we het dan en blijven we doorgaan met helpen? Misschien moeten we het vergelijken met de behandeling die wij geven aan misdadigers. Die geven wij straf, niet om ze te pijnigen, maar om ze te verbeteren. Maar straf, zei de geniale Nietzsche al meer dan een eeuw geleden, 'hat den Zweck den zu bessern welcher straft'. Een psychologische uitspraak die de lichamelijke component van het straffen omzet in een geestelijke. Juist in de straf krijgen we zicht op het grote morele verschil tussen de deugniet en degene die hem straft. Goed, straffen doen we niet meer, tenminste niet van harte. Mensen die afwijkend gedrag vertonen helpen we liever. Maar straf of hulp, in beide gevallen proberen we ervoor te zorgen dat ze net zo goed worden als wij. Een soortgelijk mechanisme steekt achter onze behoefte andere volken te helpen. Beoogd wordt, met deze hulp, dat beide partijen er beter van worden.

Maar hoe komen we er eigenlijk bij dat zij met onze hulp geholpen zijn? Wie zijn 'zij' precies? Hoe weten we of we de juiste mensen bereiken? We installeren een fabriek, compleet met gebruiksaanwijzing en instructies die vertellen wat ze moeten doen en hoe ze het moeten doen. Maar de actie zou eigenlijk moeten uitgaan, vinden we, van degene die ermee geholpen is. Hebben we ze wel begrepen? Om elkaar bij zoiets delicaats als een hulpoperatie goed te begrijpen moeten beide partijen technisch, maar ook bestuurlijk en vooral sociaal toch enigszins van dezelfde cultuur zijn.

De beste hulp is die waarbij niets hoeft te worden aangeprezen of uitgelegd. Maar ook dan is de kans nog groot dat de zo goed bedoelde hulp geheel verkeerd uitpakt. Een voorbeeld. Sinds wij weer actief in Zuid-Afrika mogen zijn, staat dit land op de lijst van landen waaraan wij onze oude kleren kwijt kunnen. Dat doen we dan ook grif. Het aanbod van voornamelijk oude colbertjasjes wordt gratis en liefdevol door het Leger des Heils georganiseerd en verwerkt en wi VREEMDE COMBINATIE j hebben het prettige gevoel anderen ermee geholpen te hebben. Wie, zo weldoende, nog 's omkijkt zal ontdekken dat met deze handel alleen een aantal kooplieden is geholpen. Op de markten in Kaapstad en Johannesburg is zo'n jasje allang niet gratis meer. Maar ook niet heel duur. Het is precies zo duur dat het kan concurreren met de spullen van eigen makelij zodat er, sinds Zuid-Afrika 'vrij' is, in dat land - lees ik - al zo'n 15.000 arbeidsplaatsen in de textiel- en kledingindustrie verloren zijn gegaan. Zo helpen wij met onze colbertjasjes het arme deel van Zuid-Afrika geruisloos van de wal in de sloot.

We weten het al jaren. In 1974 publiceerde Walter Rodney zijn boek How Europe Underdeveloped Africa. Hij werd er bekend mee, maar hij was niet de eerste. In mijn paperassen lees ik dat al aan het eind van de idealistische jaren zestig (Afrika was nog geen tien jaar onafhankelijk) een zekere Paul Sweezy tijdens een lezing in Kopenhagen “vol zelfironie zijn gehoor toestemming vroeg Sweezy's eerste wet te citeren: Hoe meer hulp, des te minder ontwikkeling.” De vernietigende kracht van Europa's ontwikkelingshulp is dus al minstens 25 jaar bekend.

Hulp helpt degene die helpt, in materieel opzicht en, voor degene die een geweten hebben, in moreel opzicht. Maar we hebben nog meer weg te geven. Niet alleen kunnen wij aan de armen der wereld onze overschotten kwijt, maar ook ons geloof. Dat was in vroeger tijden nog ons christelijke geloof in God, vandaag is het ons geloof in de superieure werking van de democratie, inclusief de 'rechten van de mens'. Wij zelf genieten die rechten al jaren en er is geen enkele reden, vinden wij, waarom ook niet de minder bedeelden dezelfde rechten zouden krijgen: recht op leven, recht op vrijheid, recht op de onschendbaarheid van lijf en leden en recht op vrije meningsuiting.

De 'rechten van de mens' zijn een vrucht van de Westerse beschaving en komen voort uit ons geloof dat alle mensen in principe evenveel waard zijn - voor ons een vanzelfsprekende zaak, want onze rijkdom en ons geluk zijn eraan ontsproten. De rijkdom van de arme landen berust op heel andere fundamenten - die de onze in de weg zitten. Willen we dat de arme landen toenemen in welvaart, dan moeten we eerst die oude sociale structuren van ze opheffen. Ze moeten hun cultuur vervangen door de onze. Ze moeten net zo worden als wij. Onze adviezen daartoe zien we met zorg bestudeerd en vervolgens terzijde gelegd. Over rijkdom heeft men in de arme landen voorlopig heel andere ideeen.

Voor sommige landen zijn onze rechten en regels belachelijk en irreeel. In India zijn zoals bekend niet alle mensen evenveel waard. Er zijn er zelfs die, krachtens hun geboorte, helemaal niets waard zijn. Dat zijn de paria's, die hebben geen enkel recht. Onder de druk van het Westen zijn er een jaar of tien geleden plannen geweest om de kinderen van de paria's wat eenvoudig onderwijs te geven, zodat ze tenminste konden leren schrijven en lezen. Alleen deze gedachte al bracht een aantal rijke studenten er toe - mijn verstand stond er bij stil toen ik het las - een eind te maken aan hun leven, dat zo immers geen zin meer had. Zo absurd leek hun dat plan, getoetst aan hun eigen geloof. En zozeer waren ze bereid voor dat geloof te sterven.

Van Rusland kun je zeggen dat het in bepaalde opzichten - wetenschappelijk, artistiek - dezelfde cultuur heeft als het Westen, maar in andere opzichten niet. Een democratie is het pas sinds een paar jaar, en vrijheid is iets waarmee een gemiddelde Rus nog niet goed raad weet. Met het Westen heeft men - dat kun je bij Dostojevski lezen - een soort haat-liefde verhouding. Als de tijden zwart zijn, zien de Russen tenminste altijd nog een lichtpuntje: blij dat ze niet op ons, niet op de bourgeoisie lijken. Een beetje minder vrijheid en wat meer glorie - wie weet hoeveel Russen daar niet voor zouden tekenen.

Saoedi-Arabie dachten we, althans Amerika dacht dat, zou na alle ontvangen hulp in de Golfoorlog en overtuigd van de Westerse superioriteit, of als dank, misschien wel willen overwegen maatschappelijk een wat meer liberale koers te varen. Maar nee. Wie een nederlaag lijdt op het ene gebied, laat zien dat hij superieur is op een ander gebied. En zal een weldaad nimmer vergeven.

We kijken naar Tucholsky's weermannetjes, want wat gebeurt er? Het mooi-weermannetje dat buiten staat, in de zon, probeert het sombere, verdrietige mannetje dat binnen staat, ook naar buiten te krijgen. Doe net als ik, lijkt hij te zeggen. Hij reikt hem de hand, maar het regenmannetje glijdt daardoor nog verder naar achteren, hij krijgt hem niet te pakken, om redenen die wij begrijpen en dat maakt het tafereel nog potsierlijker. Ze doen allebei hun best. De kleine pechvogel moet naar buiten, dat is goed voor hem. Maar de geluksvogel zal daartoe geen stap naar achteren doen, integendeel. Hij komt, om de ander bij de arm te kunnen pakken, nog verder naar buiten en wat bedoeld was als reddingspoging, krijgt meer en meer het karakter van een onhandig gevecht, resulterend in de ondergang van de zwakste.

Van alle rijke landen doet Nederland het meest aan ontwikkelingshulp. Daar zijn we trots op. Jaarlijks betalen we zo'n drie miljard gulden. Dat is nog geen 0,7 procent van ons nationale inkomen. (Ik herinner me de tijd dat we 1 procent gaven.) Bijzonder veel geld is het dus niet. Maar het is wel heel bijzonder geld, want het is de enige uitgavepost waarover geen discussie plaatsvindt. Iedereen is het er over eens dat het welbesteed geld is. Want wat we ervoor terugkrijgen, elk jaar, is de zekerheid dat we goed hebben gedaan.

    • Gerrit Krol