Vier haren op de linkerteen; Huppelende zinnetjes in roman van Martin Bril

Martin Bril: Altijd Zomer Altijd Zondag. Uitgeverij De Bezige Bij. 242 blz. Prijs: fl.38,50

Ze hadden nooit uit elkaar moeten gaan, dacht ik meer dan eens tijdens het lezen van de nieuwe roman van Martin Bril, Altijd Zomer Altijd Zondag. Het welhaast volmaakte schrijvershuwelijk tussen Martil Bril en Dirk van Weelden, houdt nu alleen nog stand in hun 'Piano & Gitaar'-column in Het Parool. Die columns zou je kunnen omschrijven als zegenrijk geouwehoer: een aangenaam mengelmoes van melige, geestige, treffende en guitige observaties over het leven van alledag. Als schrijvers zijn Bril en Van Weelden ieder hun eigen weg ingeslagen, en geen van beide wegen zijn helemaal bevredigend.

Van Weelden zoekt het in de eerste plaats in het geestelijke, Bril in het lichamelijke. Tegenwoordigheid van geest (1989), het solo-debuut van Van Weelden en Mobilhome (1991) zijn ideeenromans. In de twee romans van Bril, Voordewind (1990) en zijn nieuweling Altijd Zomer Altijd Zondag zijn hooguit bescheiden gedachtetjes te vinden. Hun beider schrijftemperamenten zijn in veel opzichten tegengesteld. De denker en filosoof Van Weelden staat zo ver af van de verteller en levensomarmer bp Bril, dat het eigenlijk een wonder is dat ze elkaar ooit gevonden hebben. Waar je bij de een de hersens bijna hoort kraken en de formuleringen bepaald stroef zijn, daar dreigt de ander aan te veel frivoliteit te gronde te gaan en huppelen de ultrakorte, geoliede zinnetjes over de bladzij. Waar de een alle moeite doet het leven ondergeschikt te maken aan een overkoepelende gedachte, maakt de ander zich er vanaf met simpele verhalen waarin het leven, om zo te zeggen, vrij spel heeft. Een opvallend contrast tussen de twee schrijvers is ook nog dat Van Weeldens personages bijzonder beweeglijk en actief zijn, terwijl die van Bril het liefst met alle winden meewaaien en het allerliefst de wind in de rug hebben, zodat ze helemaal niets meer hoeven doen.

Ook in Brils nieuwe roman heerst een slome, hippie-achtige atmosfeer waarin veel onder bomen wordt gezeten, gezonnebaad, een beetje gedronken en gesnoven en vooral wordt gekeken naar van alles en nog wat. “Alle tijd om naar mijn voeten te kijken,” merkt Anton, de held van Bril, welgemoed op. “Niets bijzonders, die voeten. Ik zie dat er haar groeit op mijn grote tenen. Vier haren op de linker, zes op de rechter. Zwarte haren die er zielig bij staan zo op het akelige wit van mijn voeten, ik bedoel, het lijken wel eenzame takken die in de sneeuw liggen.”

Aad Nuis wees eens, in een overzicht van onze naoorlogse letteren, op het gebrek aan maatschappelijke belangstelling in het Nederlandse proza. De buitenwereld, zo was hem opgevallen, is zelden meer dan een decor voor het gemiddelde personage. “Ze hebben bijvoorbeeld zelden een duidelijk beroep, tenzij dat van schrijver of iets dat erop lijkt.” Dat geldt ook voor de romanfiguren van Bril, die tussen al het zitten, rondslenteren en kijken door wel eens iets willen noteren.

Voordewind, de titelheld van zijn vorige roman deed het nog gewoon met de hand, maar Anton heeft een 'powerbook' tot zijn beschikking, al blijft duister wat hij daarin tikt. Greep op de wereld krijgen ze er in elk geval niet mee en dan kan ook niet, menen ze, omdat het leven de schrijver per definitie te slim af is. Tegen de tijd valt immers toch niet op te boksen. Bij deze onvermijdelijke gang van zaken leggen ze zich met overgave neer. “Een dobberende natuur,” zo noemt Anton zichzelf, “blaas de rubberboot maar op en ik drijf op de stroming mee naar zee, argeloos en uitgelaten als een kind, een man van weinig weerstand, bij tegenwind meteen in paniek. Maar zelfs stroomafwaarts zijn er watervallen, krokodillen, Indianen met gifpijlen, kolkende stroomversnellingen, gevaren te over waar ik flierefluitend op te pletter kan varen. Of niet soms? Jazeker, maar manoeuvreren is de kunst, ook bij goed weer. Altijd zomer, altijd zondag. En ach, shit happens, het is niet anders.”

Altijd Zomer Altijd Zondag is een overwegend zonnig boek, dat naar ik vermoed kortweg Altijd zomer zou hebben geheten, als Ethel Portnoy deze titel niet al had gebruikt voor een vergelijkbaar luchthartige en onbekommerde roman. Echt veel te vertellen heeft Bril intussen niet, en bijzonder diepgravend is dat weinige ook allerminst. De roman is gewijd aan de liefde, aan zekere Beatrijs vooral, waarin Anton de ware Jacoba heeft gevonden, na escapades met onder anderen Marijke, Simone en Elizabeth. Maar wat Beatrijs precies voor heeft op Marijke, Simone en Elizabeth wordt aan het inlevingsvermogen van de lezer overgelaten. Bij het nadenken over een zo onnadenkend en kernloos boek als dit, dringen zich vanzelf allerlei adjectieven op: naief, kinderlijk, kortademig, onnozel, dun. Dat het boek, hoe iel en substantieloos ook, toch niet ergerlijk is, mij althans niet ergert en soms zelfs vertedert, is te danken aan het milde karakter ervan. Nergens is de toon bitter of rancuneus of gelijkhebberig. Wel valt Bril te verwijten dat hij zich niet breder heeft gemaakt voor zijn roman en liever de geest maar wat laat waaien dan zijn hoofd erbij te houden.