Vestzak-broekzak-platzak

Een B.V., X, exploiteerde drie bedrijfspanden in Amsterdam. In een daarvan werd een café gedreven door een andere BV, Y, die de zaak van X gepacht had. X en Y hadden dezelfde directeur, en ook de aandelen waren uiteindelijk in dezelfde hand.

Nu gebeurde het dat de gemeente de panden van X wilde kopen, omdat er een sneltramtunnel moest komen. De gemeente betaalde een bedrag als koopsom voor de panden, en een tweede bedrag als tegemoetkoming in de bedrijfsschade van de daar geëxploiteerde bedrijven. Beide bedragen werden, in het kader van de kooptransactie, betaald aan X.

Het cafébedrijf van Y werd vervolgens opgedoekt, want de panden moesten leeg worden opgeleverd. De werknemers werden ontslagen, maar kregen van de kantonrechter nog een schadeloosstelling toegewezen. Dat was een pleister op de wonde - tenminste, totdat bleek dat Y de schadeloosstelling niet betaalde. De directie vond het erg vervelend, maar het geld van Y was op.

De werknemers klopten toen aan bij X. Die had wel geld, maar voelde zich niet geroepen om de claims van de werknemers van Y te honoreren. Y, zei X, was een verliesgevende zaak geweest, en had dus toch al moeten worden gesloten, ook als er geen sprake geweest was van verkoop van bedrijfspand. X had Y bovendien al 'gesteund' door een gedeelte van de pacht kwijt te schelden. X zag geen reden om nog meer geld in Y te steken.

Ja maar, antwoordden de werknemers, er was toch een bedrag door de gemeente betaald wegens bedrijfsschade - en dat was toch ook voor het bedrijf van Y bedoeld geweest? Nee, dat zagen de werknemers verkeerd. Uiteindelijk, zo had de accountant berekend, had X méér schade geleden dan door de gemeente als vergoeding betaald was, en X mocht zelf beslissen welke schadeposten zij met het geld van de gemeente zou goedmaken. Daarbij was Y jammer genoeg buiten de prijzen gevallen.

Velen zouden misschien na dit betoog van X de moed hebben opgegeven. Zo niet de ex-werknemers van Y. Zij legden beslag op de bankrekening van X. Daartegen kwam X, ook een lastige Amsterdammer, weer in verzet. Zo kwam de zaak in kort geding voor de president van de rechtbank.

Bij de president gaf X uitvoerig weer hoe slecht de resultaten van Y waren geweest, en hoeveel zij, X, erbij was ingeschoten toen zij met de gemeente de bedrijfsschade afrekende. Misschien maakte X het daarbij iets te mooi, want de werknemers konden erop wijzen dat de exploitatieresultaten van Y nogal sterk afweken van wat soortgelijke cafés volgens de kengetallen van het Bedrijfschap Horeca opleveren. In elk geval raakte de president van het betoog van X onvoldoende onder de indruk. Zij oordeelde dat de werknemers best wel eens een claim tegen X zouden kunnen hebben, en dat er dus geen reden was om het beslag op te heffen.

Voorlopig liep het dus goed af voor de ex-werknemers; maar jammer genoeg is dit verhaal niet typerend voor het verloop van rechtszaken waarin met de middelen van BV's binnen een concern 'geschoven' is. Maar al te vaak lukt het niet om voor het geld dat men bij de ene BV te kort komt, bij de moeder- of zustervennootschap aan te kloppen. Het is dus goed uitkijken geblazen met welke BV men zaken doet, en of men dat wil doen zonder - bijvoorbeeld - een garantie van de moedermaatschappij te vragen. Want de vestzak van de een is nu eenmaal niet de broekzak van de ander; maar het verplaatsen van geld van de ene zak naar de andere gaat soms wèl net zo makkelijk als binnen het eigen kostuum.

Soms ziet u op straat het spelletje spelen met de drie bekertjes en een balletje. Het goed te raden bij vestzak/broekzak BV's is minstens zo lastig als bij het balletjesspel.

    • J.L.R.A. Huydecoper