Rechter: rapport IRT 'helemaal rot'

AMSTERDAM, 1 APRIL. De leiding van de strafrechters van de Amsterdamse rechtbank heeft fundamentele kritiek op het vorige week uitgebrachte rapport over de opheffing van het Interregionale Politieteam (IRT). Het onderzoek van de commissie-Wierenga “oogt weliswaar als een fraai bouwwerk maar de fundamenten zijn helemaal rot”, aldus de hoogste strafrechter van de Amsterdamse rechtbank, plaatsvervangend president mr. P.L. Michels.

Michels schaart zich hiermee openlijk achter de top van het Amsterdamse openbaar ministerie dat volgens de commissie-Wierenga verantwoordelijk is voor de abrupte en onnodige ontbinding van het IRT in Noord-Holland en Utrecht. Michels meent dat het “heel slecht zou zijn voor het strafrechtelijk bedrijf in Amsterdam” als op grond van de in zijn ogen ondeugdelijke conclusies van de commissie-Wierenga de volgens hem uitstekende Amsterdamse hoofdofficier van justitie, J.M. Vrakking, zijn functie zou moeten neerleggen. “Dat is het algemene gevoel onder de strafrechters”, aldus Michels.

De Haarlemse korpschef Straver heeft gisteren de rijksrecherche verzocht een onderzoek in te stellen naar mogelijke corruptie van agenten uit Haarlem die de informant van het IRT hebben begeleid. Volgens Straver heeft een reeds uitgevoerd intern onderzoek weliswaar geen belastend materiaal opgeleverd maar wil men zeker zijn dat er echt niets mis is. De Haarlemse politie heeft de informant onder bewaking gesteld omdat zijn leven door perspublikaties gevaar loopt.

Volgens vice-president Michels heeft de commissie-Wierenga al te makkelijk de conclusie getrokken dat de door het IRT-team gevolgde werkmethode deugt. “De mening dat er met die werkwijze niets mis was, baseert de commissie alleen op grond van de mededelingen van de IRT-officieren van justitie Van der Veen, Van Capelle en IRT-agent Augusteijn. Maar dat zijn uitgerekend de mensen die de methode zelf hebben bedacht. Op grond van hun relaas deze conclusie trekken, vind ik heel erg selectief”.

Pag.3: Coalitie is tegen enquête in parlement

De rechter is van mening dat de opsporingsmethode van het IRT, te weten een informant in drugs laten handelen om hem te laten opklimmen in een criminele organisatie, in strijd is met de richtlijnen en jurisprudentie en dus onrechtmatig. “Zelfs als het IRT niet het plan heeft gehad om cocaïne te importeren dan staat in ieder geval wel vast dat justitie en politie ongeveer een jaar lang bezig zijn geweest duizenden kilo's soft drugs op de markt te brengen. Gelet op de enorme hoeveelheden drugs die men importeerde en de lange duur van die operatie meen ik dat er op onrechtmatige wijze bewijs werd verzameld. Het IRT ging veel te ver”.

Michels,heeft als strafrechter twee omvangrijke IRT-zaken inzake drugshandel afgehandeld en de verdachten veroordeeld. Omdat er nog een beroep loopt tegen deze vonnissen wil hij niet zeggen of hij spijt heeft van de opgelegde straffen. Hij zegt wel heel goed te begrijpen dat Vrakking, die elf jaar rechter is geweest voordat hij anderhalf jaar geleden hoofdofficier van justitie werd, de werkwijze van het IRT heeft afgekeurd. “Vrakking handelde als een rechter die ziet dat een officier van justitie onrechtmatig bewijs verzamelt. We moeten blij zijn dat hij die methode niet voor zijn rekening wilde nemen.” Michels zegt wel vraagtekens te plaatsen bij de uiteindelijke beslissing om vervolgens het hele team op te heffen omdat er “in het algemeen goed werk werd verricht door het IRT”.

Volgens Michels is het algemeen gevoelen onder de Amsterdamse strafrechters dat Vrakking als hoofdofficier van justitie uitstekend werk doet en dat het daarom eens te meer jammer zou zijn als hij moet vertrekken. “Vrakking is een goede jurist die de organisatie van het Amsterdamse parket aanmerkelijk heeft verbeterd. Het openbaar ministerie begaat veel minder fouten en slordigheden dan vroeger”.

Michels zegt wel “perplex te staan” dat sommige officieren van justitie in Amsterdam kennelijk bereid zijn te ver te gaan om een grote criminele organisatie te kunnen ontmantelen. “Al denk ik niet dat het kwaadwillendheid is geweest dat men de methodes te ver heeft uitgerekt”. De vice-president van de rechtbank denkt wel dat het schort aan de communicatie op het Amsterdamse parket dat uit vijftig officieren van justitie bestaat. “Als officieren van justitie tot de toepassing van zeer onorthodoxe methodes besluiten dan zou je toch verwachten dat men overleg pleegt met de hoofdofficier van justitie. Dat is dus kennelijk niet gebeurd”.

De Tweede-Kamerfracties van de coalitiepartners CDA en PvdA wijzen het verzoek van beide oppositiepartijen D66 en VVD af om een parlementaire enquête te houden naar opsporingsmethoden van de politie. CDA-woordvoerder F.J. Van der Heijden vindt het verzoek “niet serieus te nemen” en “erg vervelend”, onder meer omdat het “onvoldoende onderbouwd” is. “Je moet als Kamerlid erg oppassen om een sfeer te veroorzaken waarin er van de hele politie niets meer deugt, zonder dat je daarvoor voldoende materiaal hebt.” De roep om een onderzoek heeft volgens Van der Heijden vooral politieke gronden, namelijk om de bewindslieden Hirsch Ballin (justitie) en Van Thijn (binnenlandse zaken) te beschadigen.

Het Kamerlid P. Stoffelen (PvdA) wijst erop dat zijn fractie bij de behandeling van de begroting van Justitie vorig jaar heeft aangedrongen op een onderzoek naar het functioneren van het openbaar ministerie. Dit onderzoek is inmiddels gestart. Een nieuw onderzoek zou een herhaling van zetten kunnen betekenen, aldus Stoffelen.