Pantoffelneuzen, loopneuzen en feestneuzen; De baldadige periode van Rene Magritte

In nog geen zeven weken maakte Rene Magritte 39 werken voor zijn eerste solo-expositie, in 1948 in Parijs. Het werd een krankzinnige melange van hoge kunst en volkse wansmaak, een experiment dat geheel apart staat in zijn oeuvre. In Antwerpen is nu een reconstructie te zien van deze uitzinnige tentoonstelling.

T/m 26 juni. Galerie Ronny Van De Velde, IJzerenpoortkaai 3, Antwerpen. Open di t/m zo 11-18u, ma gesloten. Catalogus (Nederlands, Frans, Engels) BF 950,-.

Hij zou de Franse surrealisten eens wat laten zien, besloot Rene Magritte toen hij in 1948 zijn eerste solotentoonstelling in Parijs kreeg. Na Brussel, Londen en New York was de vijftigjarige Belgische schilder eindelijk uitgenodigd - door de Galerie du Faubourg, een kleine kunsthandel - om zijn werk te exposeren. Onder de onschuldige titel Peintures et Gouaches tracteerde Magritte het verfijnde Parijse publiek op een bonte kermis van feestneuzen, pantoffelneuzen, loopneuzen, pikneuzen en drankneuzen.

De bezoekers reageerden in het gastenboek met opmerkingen als: Het is minder diep dan vroeger, en: Het ademt een Belgische esprit. Paul Eluard, een persoonlijke vriend van Magritte die met de leider van de surrealisten, Andre Breton, had gebroken, schreef: Wie het laatst lacht, lacht het best. Eluard vond de expositie mooi, maar kocht toch een ouder werk van de schilder. De tentoonstelling was een fiasco, geen van de schilderijen en gouaches werd verkocht.

De periode vache, zijn platvloerse, baldadige periode, is een kort, intrigerend intermezzo in de carriere van Magritte. In minder dan zeven weken vervaardigde hij voor zijn Parijse expositie in totaal 39 baldadige werken. Onderwerpen en titels bedacht hij in nauw overleg met twee 'medeplichtigen', het dichterspaar Louis Scutenaire en Irene Hamoir. Zo staat in een brief van Magritte aan Irene bij een schetsje van een naakte vrouw die zit te schuddebuiken: Les Moyens de Communication. De vette lach is het communicatiemiddel. Het woest gekleurde schilderij met dezelfde uitzinnig lachende vrouw is later omgedoopt tot Les Voies et Moyens. Titels moesten bescherming bieden tegen elke poging 'de werkelijke poezie te reduceren tot een spel zonder gevolgen,' aldus Magritte in De levenslijn, een gepubliceerde lezing uit 1938 over zijn eigen werk.

Het kostte me achteraf bij veel titels moeite om weer het juiste beeld voor de geest te halen. Bij La Marche triomphale (Triomfmars) - een stoet benen met feestneuzen - is dat nog betrekkelijk eenvoudig, net als bij Le Montagnard (bergbewoner) - een groene rinoceros die een blauwe Griekse zuil beklimt. Maar wie denkt bij Le Galet (kiezelsteen) aan een vrouw die zichzelf likt en erotisch betast? Of bij L'Ellipse (ellips) aan een karikaturaal mannetje met een geweerloop als neus?

Eten

Een van de eerste schilderijen van de vache-reeks is waarschijnlijk La Part du Feu (schifting). Het is uitgewerkter en minder schetsmatig opgezet dan de andere werken, die soms in enkele uren werden voltooid. Op dit schilderij brengt een vrouw een man die doodziek in bed ligt iets te eten. Het is ongetwijfeld een toespeling op het surrealisme dat volgens Magritte dringend behoefte had aan een nieuwe impuls. Tussen Breton en de Belg wilde het niet echt boteren, ook al was Magritte een geaccepteerd lid van de surrealistische beweging. Hij genoot echter veel minder aanzien dan schilders als Dali, Masson, Tanguy, Ernst en Miro.

Breton gebruikte Magrittes schilderijen wel als illustraties op het omslag van zijn boeken, maar schreef er vrijwel niets over. Een belangrijk punt van kritiek op Magritte, dat later nog vele malen herhaald zou worden, was het gebrek aan schilderachtigheid. Zijn schildertrant was te droog, te zakelijk om de Fransen te kunnen bekoren. Met de felgekleurde, smeuig geschilderde doeken in pseudo-fauvistische stijl uit zijn periode vache drijft hij de spot met dit oordeel.

De afgelopen jaren wekten selecties uit de periode vache op overzichtstentoonstellingen al verbazing en nieuwsgierigheid. Ronny Van De Velde in Antwerpen heeft nu een geslaagde poging ondernomen om de oorspronkelijke expositie te reconstrueren. Hij ontdekte in Parijs de tot nu toe onbekende gouache Flute! (verrek!), en maakte van de expositie, geheel in de geest van de kunstenaar, een 'manifestatie van het plezier'. Behalve schetsjes, schilderijen en gouaches - het ensemble is vrijwel compleet - zijn er vitrines met foto's, documenten en allerlei mallotige voorwerpen die de sfeer bepalen. Geruite pantoffels, petten, feestneuzen, reclameborden en pijpen zijn uitgestald tegen een roodbonte achtergrond. Ook de schitterende catalogus is in deze stijl uitgevoerd. Behalve korte, verhelderende teksten van de organisatoren en van de Magritte-kenner David Sylvester, omvat deze publicatie ingeplakte kleurenreprodukties en facsimile's van documenten.

Tafelkleden

Magritte trok werkelijk alle registers open: geinspireerd door strips en cartoons doste hij zijn personages uit met geruite pantoffelneuzen en petten, en niet een maar soms wel zeven pijpen in mond, ogen en voorhoofd. En als een pastiche op de fauvistische schilderijen van Matisse, plaatste hij ze vervolgens tegen een geschilderd decor van ordinaire geruite plastic tafelkleden. Het is een krankzinnige melange van hoge kunst en volkse wansmaak.

Terwijl je als liefhebber van hedendaagse kunst tegenwoordig tot vervelens toe wordt geconfronteerd met deze mix van kunst en wansmaak (zie bijvoorbeeld Berend Striks collage van zingende engelen uit oude schilderijen en pijpende dames uit pornobladen in het Amsterdamse Stedelijk Museum) heeft Magritte's provocatie op wonderbaarlijke wijze haar effectiviteit behouden. Ook al bekijk je de schilderijen na bijna vijftig jaar met andere ogen, ze wekken nog steeds de lachlust op.

Hoe komt dat? In de eerste plaats omdat de periode vache een uitzondering is binnen het oeuvre van Magritte, dat dankzij talloze reprodukties en reclame-variaties overbekend is. Magritte neemt niet alleen het publiek, maar ook zichzelf op de hak. Terwijl het gebrek aan zelfspot het werk van veel jonge kunstenaars tegenwoordig juist zo onverteerbaar maakt.

Een andere verklaring is het feit dat Magritte meer te melden had dan alleen een provocatie om de provocatie. Al tijdens de Tweede Wereldoorlog ondernam hij pogingen om de duistere, intellectualistische kanten van het surrealisme te vervangen door een 'surrealisme van het zonlicht'. In de moeilijke oorlogsjaren probeerde hij in een zoetige marsepein-stijl a la Renoir op dubbelzinnige wijze licht en betovering te scheppen. Een korte beschrijving van de schilderijen geeft al een idee van dit subversieve escapisme: een paardje met het haar van een jong meisje, een liggend vrouwelijk naakt in regenboogkleuren en een een baardige zeegod met een naakt danseresje als penis.

Achterlijk

Bij Van De Velde in Antwerpen zijn ook een paar van deze pseudo- impressionistische werken te zien. Zelfs in Belgische surrealistische kringen bestond weinig begrip voor deze stijlomslag. Breton noemde hem een achterlijk kind dat de barometer op zonnig zet om zich te verzekeren van een mooie dag. De periode vache vormt het hoogtepunt en einde van dit streven naar 'zonlicht'. Na 1948 keerde Magritte terug tot zijn vertrouwde repertoire en schilderde voornamelijk variaties op bekende motieven. Volgens Magritte deed hij dit op dringend verzoek van zijn vrouw Georgette, maar zelf stond deze pantoffelheld ook ambivalent tegenover het 'Parijse experiment'. Hij zou het wel willen voortzetten, schrijft hij aan Scutenaire: “Daartoe ben ik van nature geneigd, de langzame zelfmoord - maar er is Georgette en haar afkeer die voor mij 'oprecht' is.” En last but not least: Magritte's hommages aan Matisse zijn niet alleen pastiches, maar ook, in de woorden van Sylvester, 'gewoonweg prachtige brokken schilderkunst'. Het schilderplezier spat van de vache-werken af en dat verveelt nooit.

    • Din Pieters