HET JAAR VAN HET GEZIN

Een plaats om op terug te vallen

Elk hoekje in het huis van de familie Westdijk in Boskoop is benut. In de kinderkamers staan stapelbedden, tussen de kleerkasten zweven bureaubladen, boven de echtelijke sponde hangt een zonnekanon. Moeder Riena demonstreert hoe het apparaat via een liftje neerdaalt op het bed. De twee wc's in huize Westdijk zijn permanent bezet. 's Morgens is het dringen voor de badkamer.

Moeder draait zeven à acht wassen per dag. Het gezin rijdt in een grote auto waar één keer per week de boodschappen in worden geladen. Moeder doet de bestelling telefonisch bij de supermarkt, waarna even later de bestelling aan de achteringang klaar staat. Ze weigert om met een karretje door de winkel te lopen: “Niemand hoeft te weten wat ik in mijn karretje heb.” Het is wel eens voorgekomen dat een volgeladen karretje door klanten werd leeggehaald.

Vader Joop en moeder Riena komen ieder uit Boskoopse gezinnen van elf kinderen. Allebei waren ze het zesde kind. En na hun huwelijk in 1965 kregen zij ook elf kinderen: Mirelle (26), Teun (25), Pieter (23), Maaike (20), Sarah (19), Daan (16), Joop (14), Koen (12), Riena (11), Dirk (9) en Toos (8). De opvoeding is niet streng. Maar orde en netheid moet er zijn, en de kinderen mogen niet de hele nacht wegblijven. “We moeten weten waar ze zijn”, zegt vader Joop.

De Westdijks zijn hervormd. Elke zondag gaan ze met hun Volvo naar de kerk. De meeste kinderen hebben daar altijd braaf aan meegedaan. Alleen Daan (16) die altijd over van alles een mening heeft, vindt de diensten soms “zwak gezwets”. Ook wijst hij erop dat sommige ouderlingen slapen in de kerk. Maar vader Joop zegt: “Het geloof is een van de hoekstenen van ons gezin.” Ze zijn in de loop der jaren minder streng geworden. Vroeger werd aan de zondagsrust strikt de hand gehouden, nu kopen ze op zondag ijsjes.

Vader is boomkweker in Boskoop. Samen met zijn broer nam hij hun vaders bedrijf over. In 1982 gingen de broers uit elkaar. “Het spoorde niet meer”, zegt vader. Zijn broer had plannen voor grote investeringen, hij zelf zag het bedrijf vooral als een middel om “de exploitatie van het gezin” draaiende te houden. Dat is moeilijk genoeg. Ieder kind dat naar de middelbare school gaat, krijgt een fiets. En wie achttien wordt, mag zijn rijbewijs halen. Vakantie komt er niet altijd van. Meestal blijven ze thuis. Vader is aan zijn bedrijf gebonden. Af en toe trekt hij zich terug. “Dan denk ik: laat de boeren maar dorsen, Joop gaat vissen.”

Moeder is volgens iedereen de spil van het gezin. Ze houdt van duidelijkheid. Ze vertelt dat een van de kleintjes laatst vroeg wat een maagd is. Vader had geantwoord dat een maagd een meisje is dat nog geen jongen bekend heeft. Dat begrijpt zo'n kind toch niet, had moeder gezegd, een maagd is een meisje dat nog niet met een jongen naar bed is geweest.

Vader heeft over het gezin uitgesproken opvattingen. “Een gezin geeft mensen een thuisbasis in het leven. Ik ben ervan overtuigd dat zo'n plaats waar je op terug kunt vallen, zaken als vandalisme tegengaat.” En over kinderen zegt hij: “Je hoort sommige mensen wel eens zeggen dat ze een kind nemen, maar als het dan eindelijk geboren is, zeggen ze dat ze een kind hebben gekregen. Zo is het ook. Je neemt geen kinderen, maar je krijgt ze.”