Het is vijf voor twaalf voor de Europese filmindustrie

AMSTERDAM, 1 APRIL. The House of the Spirits, Jurassic Park, The Firm, Mrs. Doubtfire, Schindler's List... Een snelle blik op een willekeurig filmoverzicht maakt meteen duidelijk waar de beschermheer van de Europese cultuur, EU-commissaris Deus Pinheiro, zich dezer dagen zo druk over maakt: de opmars van de Amerikaanse film. Van de 178 nieuwe films die in 1993 werden uitgebracht in Nederland, waren er 109 van Amerikaanse en slechts 16 van Nederlandse makelij. Voor heel Europa geldt dat Amerikaanse produkties circa 70 procent van het bioscoopprogramma vullen en de helft van de zendtijd op televisie in beslag nemen. De Amerikaanse export van films en video's naar Europa bedroeg in 1992 3,66 miljard dollar, twaalf maal zoveel als de stroom van Europa naar de VS. De Amerikaanse bioscopen trokken in '92 ruim 1 miljard bezoekers, de Europese 564 miljoen.

Als het aan Deus Pinheiro ligt, komt de tijd terug dat de Fransen en Italianen heer en meester waren op het Europese witte doek. In een deze week uitgelekt 'groenboek' trekt hij ten strijde tegen het oppermachtige Hollywood. Meer geld voor filmmakers en meer zendtijd voor Europese produkten op televisie moeten de Europese audio-visuele industrie uit het slop halen, zo luidt kort samengevat zijn reddingsplan.

“Het is vijf voor twaalf voor de Europese filmindustrie”, meent ook Hans Tijssen, secretaris-generaal van de Nederlandse Federatie voor Cinematografie (NFC). Als adviseur was hij betrokken bij Deus Pinheiro's reddingsplan. “Dertig jaar geleden hadden we een bloeiende filmindustrie; de Europeanen hebben er in de loop der jaren echter te weinig geld in gestoken, met als gevolg dat het filmtalent wegvloeide richting Amerika. Kijk eens wat een Nederlandse acteur hier verdient en wat hij in de VS kan krijgen, dat is al gauw vijf keer zoveel. Het publiciteitsbudget alleen al is in Amerika vaak groter dan het totale produktiebudget hier. Talent als Paul Verhoeven zijn we voorgoed kwijt. De Europese culturele identiteit lijdt onder de Amerikaanse invloed.”

We zullen keihard moeten werken om de Europese filmindustrie weer op poten te krijgen, meent Tijssen. “Het marktaandeel van de Amerikaanse film wordt steeds groter en dus is tegenwicht gerechtvaardigd.” Persoonlijk zou hij met een marktverdeling van 50-50 procent “goed kunnen leven”. Tijssen denkt bij steunmaatregelen onder meer aan extra geld voor publiciteit en produktie, “om te voorkomen dat je know how kwijtraakt aan Amerika. Als je enerzijds je eigen talent niet kunt vasthouden en anderzijds het Amerikaanse marktaandeel terugdringt, heeft dat desastreuze gevolgen voor de exploitant, die het aanbod aan twee zijden ziet afkalven.”

De secretaris-generaal van de NFC zou ook graag meer geld zien voor extra kopieën van “moeilijke, cultureel waardevolle” films. “Zodat die niet alleen in Amsterdam en Rotterdam te zien zijn, maar ook in Middelburg en Delfzijl. Zo kweek je een publiek van goede filmgangers.” Bij heffingen op bioscoopkaartjes, zoals Deus Pinheiro wil, zet Tijssen vraagtekens. “Dat zou op veel weerstand stuiten, omdat de bioscoopbezoeker het kaartje nu al duur vindt. Ik vind dat dat geld uit de regeringspot moet komen en dat niet de exploitant de dupe moet worden.” Wel maakt hij zich sterk voor verlaging van de BTW op het kaartje van 18,5 naar 6 procent. “De 18 miljoen gulden die dan vrijkomt, moet worden gebruikt om de afgelopen magere jaren van de exploitanten te verzachten, theaters te renoveren en de filmproduktie te stimuleren.”

De bedragen die het groenboek vermeldt voor steun aan de filmindustrie wil Tijssen niet noemen. “Die verschillen per week.” Hij schat dat er gedurende drie tot vijf jaar geld in de sector moet worden gepompt. “Daarmee geef je de producenten een adempauze om nieuw talent te kweken en meer eigen produkties te genereren die aanslaan bij de consument.”

Het meest controversiële punt in het groenboek is, volgens Tijssen, het plan om, naar het voorbeeld van Frankrijk, de helft van de tv-zendtijd in de EU-lidstaten verplicht vrij te houden voor Europese produkties. “Een kwestie van hoog inzetten”, is zijn commentaar. De fanatieke verdediging in Frankrijk van de eigen produkties werpt vruchten af. De Amerikanen hebben in Frankrijk, dat tal van steunmaatregelen kent (onder meer voor kleine bioscopen en extra kopieën), minder voet aan de grond gekregen dan elders in Europa: nog geen 60 procent van de films is van Amerikaans fabrikaat.

Behalve een beter evenwicht in de verhouding tussen Amerikaanse en Europese produkties wil Tijssen ook een betere toegang van Europese films tot de VS. “De meeste jaren wordt er geen enkele Nederlandse film uitgebracht in de VS. De taalbarrière is bij buitenlandse produkties vrij groot. Alle films, ook Engelse, worden nagesynchroniseerd in het Amerikaans.”

Tijssen is ervan overtuigd dat het Europese groenboek, dat twee weken geleden al informeel met de Amerikanen is besproken, “als een bom zal inslaan” aan de overzijde van de Oceaan als het volgende week in Brussel wordt goedgekeurd. Dreigementen verwacht hij niet. “Washington kan met deze kwestie niet naar de GATT lopen, omdat de audiovisuele sector buiten het nieuwe wereldhandelsakkoord is gehouden.”

Toch maant de secretaris-generaal van de NFC tot voorzichtigheid in het meningsverschil met de Amerikanen. “Je kunt het Amerikaanse produkt niet zomaar missen. Enerzijds niet omdat de consument erom vraagt, anderzijds niet omdat er op dit moment gewoon niet genoeg Europese produkten zijn om het gat te vullen, èn omdat de Amerikaanse film steeds beter wordt. Het zou toch jammer zijn als we 'cultuur-films' als Dances with Wolves of de films van Woody Allen zouden moeten missen. Bovendien halen de bioscoopexploitanten 80 procent van hun inkomsten uit Amerikaanse produkten.”

Europa is nog niet te laat voor de inhaalrace, maar het moet wel opschieten, volgens Tijssen. “De audiovisuele sector in Europa is een zorgenkindje en we moeten niet wachten tot het een couveusekindje wordt.”

    • Friederike de Raat