Goudse kaas in plaats van het geweer

Onlangs was het weer zover: het Koninkrijk der Nederlanden speelde even Staat. De ambassadeur van de Verenigde Staten van Noord-Amerika maakte zijn opwachting bij ons staatshoofd. Al het ceremonieel was erop gericht duidelijk te maken dat de zaak niet ernstig was te nemen. In plaats van per automobiel of fiets, het logische vervoermiddel in de stad, werd de betrokkene in een karos, met lakeien op de achterplank, afgeleverd op Paleis Noordeinde. Dat de Amerikaanse afgezant zich de ludieke vertoning liet aanleunen, is begrijpelijk: deze financier van de democraten komt tenslotte Holland een paar jaar doen voor met pensioen te gaan.

Maar waarom maakt de Nederlandse staat er een potsierlijk ritueel van? Vóór het paleis laat het koninkrijk een stel dragonders als militaire erewacht aantreden. Dezelfde vreemde begroeting valt te beurt aan het bevriende staatshoofd dat per vliegtuig op Valkenburg arriveert: de eerste blik die we hem gunnen, is een inkijk in de loop van een geweer. De onhoffelijkheid van het gebaar wordt duidelijk als we de situatie transponeren naar het verkeer van individuen: het zou toch buitengewoon onkies zijn om een bezoeker aan de voordeur te begroeten met een keukenmes in de hand. Ook het presenteren van de oude familiekris zou bevreemding wekken.

De staat gedraagt zich op zijn manier wèl zo ongastvrij. Onuitroeibaar is zijn gewoonte om bij officiële gelegenheden allereerst zijn militaire gedaante te tonen. Zelfs het Vaticaan haalt Zwitserse hellebaardiers uit de kast om zijn soevereiniteit te onderstrepen. Toen Tsjechoslowakije onder het Sovjetjuk uitkwam, heeft Vacláv Havel zijn toneelervaring gebruikt om een ontwerp te maken voor het wisselen van de paleiswacht: als in een operette schallen om twaalf uur 's middags trompetten over de Praagse burcht. Ze worden bespeeld door militaire muzikanten die achter vensters in de façade opduiken. Even denkt de toeschouwer dat het mechanische poppen zijn, maar dan komt een drom soldaten aanmarcheren in hetzelfde helblauwe fantasie-uniform, een creatie van een bevriend kostuumontwerper. Voor zulke amusante tafereeltjes hoeven we niet naar het buitenland te gaan: nog onlangs mochten we vernemen dat Willem-Alexander enige maanden het uniform van verschillende krijgsmachtonderdelen ging dragen, in het kader van zijn kroonprinselijke vorming. Welke gedeformeerd staatsidee ligt hieraan ten grondslag?

De geschiedenis geeft ampele verklaringen voor de hanige presentatie van staten. Maar een historische uitleg is nooit een rechtvaardiging. Het 'zo is het gekomen' is geen antwoord op de waarom-vraag. Met de historische gegevens in de hand betoogt de conservatief dat een eerbiedwaardige traditie moet blijven, terwijl de vooruitstrevende geest vaststelt dat het dus hoog tijd is te breken met het verkalkte atavisme. Geschiedenis is nooit een argument.

Vanaf de vroegste staat in Mesopotamië via de Griekse polis tot de natie-staten van de negentiende eeuw is de krijg de belangrijkste bestaansgrond voor de staat geweest. Ooit kon met recht beweerd worden dat de weerbare lieden de staat zijn: “mannen zijn immers de polis, niet de muren”, zegt Nikias tegen de Atheners (Thoukydides, Peloponnesische Oorlog 7,77,7). De staat heeft het monopolie op het legitieme geweld naar binnen en naar buiten steeds zorgvuldig gekoesterd. Ook de moderne staat schijnt niet zonder een geweldapparaat te kunnen. Moet hij echter met deze schande te koop lopen?

Militairen verdienen respect voor hun bereidheid het vuile werk op te knappen. Maar er is in de moderne staat meer noodzakelijk en onaangenaam werk, bijvoorbeeld in de verzorgende beroepen. Ook de vuilophaaldiensten doen onmisbaar werk, maar vuilnismannen hebben waarschijnlijk een te groot gevoel van eigenwaarde om aan te willen treden bij een paleis- of vliegtuigtrap.

Een zekere ritualisering van ontmoetingen versoepelt ontegenzeglijk de kennismaking. Daarom nemen we van een bezoeker de jas aan, vragen of het moeilijk was het adres te vinden en stoppen hem zo gauw mogelijk een kop koffie in de hand.

Er is dan ook in principe niets mis mee als de staat zijn begroetingen formaliseert: originaliteit is erg vermoeiend. Heeft Nederland bij eerste kennismaking echter niets representatievers te bieden dan het puikje van zijn krijgsmacht? Veel beter staat een brigade welzijnswerkers of een peloton polderwerkers met traditionele schoppen of - waarom niet? - een fleurige schare kaasmeisjes. Ja, waarom presenteert de Nederlandse staat niet Goudse kaas in plaats van het geweer?

    • Anton van Hooff