Een loopgravenoorlog over opheffing van politieteam

DEN HAAG, 1 APRIL. De aanloop tot het Kamerdebat over de zogeheten IRT-affaire krijgt steeds nadrukkelijker het karakter van een loopgravenoorlog tussen Amsterdam en de rest van Nederland.

De Amsterdamse politie en het openbaar ministerie zijn van mening dat de commissie-Wierenga, die de ontbinding van het IRT-politieteam heeft onderzocht, al te lichtvaardig heeft geoordeeld dat er niets mis is met de gevolgde werkwijze van het team. Amsterdamse agenten zijn van mening dat het juist van bijzondere moed getuigt dat de politie zich keerde tegen de wijze waarop een informant werd gebruikt nadat IRT-officieren van justitie akkoord waren gegaan met vergaande infiltratie in een criminele organisatie. Via de Maastrichtse universiteit, de Amsterdamse krant Het Parool en sinds vandaag ook de hoofdstedelijke rechterlijke macht probeert Amsterdam uit de beklaagdenbank te komen.

Het ministerie van justitie ervaart met steeds grotere irritatie hoe de Amsterdamse politie in haar ogen zeer vertrouwelijke informatie over het IRT-politieteam doorspeelt naar de media en feiten verdraait om het eigen blazoen op te poetsen. Volgens de top van het departement is “het gezag over de Amsterdamse politie zoek”.

Zo wordt er inmiddels bij menig ander politiekorps ook over gedacht. De Haarlemse korpschef Straver heeft gisteren om een hernieuwd onderzoek gevraagd naar beschuldigingen dat een aantal van zijn rechercheurs corrupt zou zijn. Straver besloot naar eigen zeggen tot dit onderzoek nadat hij had begrepen dat Het Parool met beschuldigingen aan het adres van agenten zou komen die de IRT-informant hebben begeleid. Op de vraag of hij de indruk heeft dat vanuit Amsterdam informatie wordt gelekt om anderen zwart te maken, durft hij geen antwoord te geven. “Ik heb geen zin in een proces wegens smaad aan mijn broek. Ik moet op eieren lopen”, zegt Straver.

In het onderzoek van de commissie-Wierenga wordt geregeld aandacht besteed aan de wijze waarop de hoofdrolspelers in de IRT-zaak journalisten inschakelen. Het lekken via de media gebeurde zelfs tijdens het onderzoek van Wierenga, zo constateert de commissie in haar rapport. “Het is de commissie opgevallen dat de hoofdofficier van justitie te Amsterdam (Vrakking, red.), naar hij zelf ten overstaan van de commissie heeft verklaard, gedurende het onderzoek van de commissie journalisten over het onderwerp IRT te woord heeft gestaan”.

Politie en justitie in Amsterdam hebben goede ingangen bij Het Parool dat dankbaar profiteert van de frustraties bij het Amsterdamse korps en het parket. Over de relatie tussen de politie en deze krant staan opmerkelijke passages in het letterlijke verslag van de verhoren die de commissie heeft afgenomen. De Amsterdamse hoofdinspecteur en teamleider van het IRT, G.A. van Beek, beklaagde zich tegen de commissie over de innige band die zijn hoofdcommissaris Nordholt onderhield met de krant. Van Beek zegt dat rechercheurs terughoudend waren met het geven van inlichtingen aan Nordholt omdat ze bang waren die informatie later terug te zien in Het Parool.

“Ik had een bericht van de toenmalige chef misdaadanalyse, de heer Slort, ontvangen dat het volgende inhield. Het Parool had een concept-artikel over Bruinsma (bendeleider, red.) gemaakt en aan Nordholt gevraagd of hij zou kunnen kijken of alles klopte met het oog op eventuele tegen Het Parool door derden aan te spannen procedures bij onjuistheden. In strijd met alle professionaliteit moest die chef het artikel doornemen op onjuistheden”, aldus Van Beek.

Topambtenaren van het ministerie van justitie vinden dat de collega's van Binnenlandse Zaken op zijn minst Nordholt tot de orde zouden moeten roepen zodat er in ieder geval een einde komt aan het via de krant verspreiden van vertrouwelijke politie-informatie. Maar op Justitie heeft men er een hard hoofd in dat dit lukt. Van Thijn heeft als burgemeester van Amsterdam Nordholt altijd de vrije hand gelaten en de verwachting is niet dat hij nu als minister wel Nordholt nadrukkelijker zijn plaats zal wijzen.

De procureur-generaal in Amsterdam, mr. R.J.C. van Randwijck, heeft in ieder geval Wierenga al laten weten dat zijn relatie met Nordholt niet al te best is. “De kern van de discussie is de zeggenschap over en de aansturing van de politie. Met name een korps als Amsterdam. Ik ben een aantal jaren hoofdofficier geweest en ik heb dit nog nooit meegemaakt”.

Van Randwijck vertelt wat hem overkwam toen hij Nordholt begin dit jaar liet weten dat hij de rijksrecherche een onderzoek wilde laten instellen naar corruptie binnen de Amsterdamse politie: “Ik werd twee uur later opgebeld door Nordholt en hij zei tegen mij: 'Zeg, je gaat een onderzoek doen tegen het Amsterdamse korps'. Ik zei: 'Ja, ik wil weleens weten wat er waar is van wat Wiarda zegt'. Toen zei hij letterlijk: 'Als je dat doet, dan bel ik de minister, dan is het oorlog, en beleg ik morgen een persconferentie, en dan trek ik jou integraal door'. Dat was voor mij eerlijk gezegd een vrij onthutsende opmerking in het kader van de gezagsrelatie.”

Ook de collega's van Nordholt verbazen zich over de eigenzinnige positie van het Amsterdamse korps. De korpschef van de regiopolitie Twente, P.D. IJzerman, zei tegen de commissie-Wierenga dat “de psychologisch-emotionele situatie van het Amsterdamse korps” zich kenmerkt “door een zekere superioriteit en een zekere afstand; iets van neerkijken op de rest van Nederland. (..) Amsterdam heeft nooit prikkels gehad om zich deel te voelen van de Nederlandse politie”, aldus IJzerman die zegt dat het voor de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit “absoluut noodzakelijk is vormen te vinden om Amsterdam deel van de Nederlandse politie te laten blijven”.