De schoonheid van bureaucratie; Ton Bevers over de ordening van de kunstwereld

Ton Bevers: Georganiseerde cultuur. De rol van overheid en markt in de kunstwereld. Uitg. Coutinho, 257 blz. Prijs fl.34,40.

De constatering van kunstsocioloog Ton Bevers is naar goed sociologisch gebruik nuchter: “De meeste mensen stellen het zonder kunst.” Dat kunst zo'n belangrijke plaats inneemt in het huidige Nederland ligt volgens Bevers niet aan het enorme publiek dat wordt bereikt, maar aan de professionele, 'georganiseerde cultuur' die de kunstwereld langzamerhand omvormt tot een geoliede machinerie ter verbreiding van kunst. In zijn recent verschenen boek Georganiseerde cultuur. De rol van overheid en markt in de kunstwereld beargumenteert de Rotterdamse hoogleraar Kunst- en Cultuurwetenschappen dat kunstwereld, overheid en bedrijfsleven wat bestuur, organisatie en financiering betreft steeds meer op elkaar beginnen te lijken.

Georganiseerde cultuur is een bundeling van artikelen die Bevers in de loop van de afgelopen vijf jaar heeft geschreven. Hij behandelt onder andere de invloed van particulier initiatief op lokaal niveau (Philips in Eindhoven), de mislukte cultuurspreiding, het internationale Nederlandse cultuurbeleid en de beeldende kunstkritiek. Leidraad in Bevers' betoog is het begrip 'kunstwereld'. Dit van oorsprong filosofische begrip werd in 1982 door de Amerikaanse socioloog Howard Becker in zijn boek bp Art worlds toegespitst op de maatschappelijke positie van kunst. Het begrip biedt inzicht in de verschillende organisatievormen van de werelden van beeldende kunst, muziek of literatuur en is niet gericht op de kunstenaar of het kunstwerk, maar op de hele 'keten produktie-distributie-receptie', zodat een totaalbeeld ontstaat.

Binnen de Nederlandse kunstwereld ziet Bevers als belangrijkste ontwikkeling de 'convergentie tussen staat, markt en kunstwereld'. Daarmee doelt hij op de steeds strakker wordende organisatie van de kunstwereld, onder andere door bestuurlijke vernieuwingen als de aanstelling van een zakelijk directeur naast de artistiek leider, door toepassing van marketingtechnieken als publieksonderzoeken, door een op het publiek gericht beleid, en door samenwerking met stedelijke VVV's bij bijvoorbeeld de jaarlijks terugkerende Uitmarkten. Daardoor is vooral in het maatschappelijke midden, waar 'het streven van mensen naar distinctie en identificatie' het grootst is, de aandacht voor cultuur gegroeid. De lagere klassen, die de overheid met het volksverheffende cultuurspreidingsbeleid wilde bereiken, willen over het algemeen nog steeds niets van kunst weten.

Invasie

De toenemende invloed van politieke en economische kennis binnen de kunstwereld is door kunstenaars en directeuren van kunstinstellingen aanvankelijk als een bevreemdende en bedreigende invasie ervaren. Bevers ziet het als een ontwikkeling van binnenuit. De rommelig ogende wereld van kunst en cultuur is zich rationeel aan het ordenen, wat zich uit in een toevloed van bureaucraten en bedrijfskundigen, mensen die met hun 'technisch-instrumentele' kennis overal inzetbaar zijn. Zo is voorzitter van de Raad voor de Kunst De Ruiter een oud-minister van Defensie en wordt oud-KNVB-voorzitter Van der Louw voorzitter van de NOS.

Georganiseerde cultuur is geen bevlogen boek. Bevers' taal is zakelijk. Als een geduldige schoolmeester herhaalt hij in elk hoofdstuk de belangrijkste punten uit het voorafgaande. In het laatste hoofdstuk, een bewerking van Bevers' oratie Vorm en functie, is hij persoonlijker. Duidelijk wordt waarom Bevers zo'n belangstelling heeft voor orde binnen de kunstwereld. De oud-beleidsmaker van WVC vindt ordening gewoonweg mooi: “De rationele, professionele en bureaucratische ordeningsactiviteiten leiden tot sociale werkelijkheidsconstructies, waaraan een esthetische dimensie niet ontbreekt: harmonie, orde en een kloppend systeem zijn mooier dan wanorde, losse einden, restcategorieen en toeval.” Op de vraag of zo'n ordelijk klimaat gunstig is voor de kunst - die uiteindelijk mooi noch lelijk is - heeft Bevers geen antwoord. Het is wachten op het boek waarin hij zijn prikkelende stelling verder uitwerkt.