De prilste en de vlammendste jaren; Intellectueel zelfportret van Michel Tournier

Michel Tournier: Een vlaag van bezieling. Een autobiografie. Vert. en nawoord Jeanne Holierhoek. Uitg. Meulenhoff, 300 blz. Prijs fl.39,50.

Als jongetje begon Michel Tournier (Parijs, 1924) pas laat te lezen, zo laat dat zijn vader hem lange tijd voor achterlijk versleet. De schrijver van inmiddels klassieke romans als Vrijdag of het andere eiland en De Elzenkoning vertelt het nuchter, bijna achteloos, in een tussenzinnetje in zijn onlangs vertaalde autobiografie Een vlaag van bezieling.

Dat boek, in 1977 in het Frans verschenen als Le vent Paraclet, is dan ook niet zozeer een psychologisch alswel een intellectueel zelfportret. Het gezin waarin Tournier opgroeide komt er slechts zijdelings in voor. Kleine of grote liefdes noemt hij helemaal niet. En als Tournier toch iets persoonlijks vertelt, lijkt hij dat vooral te doen om een algemene theorie te staven.

Het grote trauma van zijn jeugd - 'de Aanslag, de misdaad die mijn kindertijd in bloed drenkte en waarvan ik de gruwel nog niet te boven ben' - overkwam hem op vierjarige leeftijd toen zijn amandelen werden geknipt. Tournier beschrijft het tafereel met de onredelijke overdrijving van iemand die inderdaad nog altijd kwaad is. Kleine meisjes die in de oorlog verkracht zijn door dronken soldaten, beweert hij, zouden daaraan een minder groot trauma hebben overgehouden dan de kleine Michel aan de behandeling van zijn arts ('die slager'). “Hij is de enige mens ter wereld die ik grenzeloos haat, omdat hij mij onvoorstelbaar veel kwaad heeft gedaan door in mijn allerprilste jeugd mijn hart te brandmerken met een ongeneeslijk wantrouwen jegens mijn medemensen, zelfs jegens hen die mij het meest nabij, het meest dierbaar zijn.”

Deze zeldzame emotionele uitbarsting, die de koele afstandelijkheid jegens zijn vader nog opmerkelijker maakt, wordt gevolgd door een kleine theoretische uiteenzetting over initiatie - een belangrijk thema van Tournier. Zo gaat het ook met de andere biografische feiten die hij vertelt. Het verhaal dat hij op zijn zesde naar een internaat in Zwitserland wordt gestuurd om aan te sterken, dient als opmaat bij een betoog over het lichamelijk isolement - 'de fysieke woestijn' - waarin kinderen en pubers verkeren. Tournier windt zich daarover op ('waarom is het nodig dat de prilste en vervolgens de vlammendste jaren uit een mensenleven zich afspelen in een dor gebied?'). En en passant licht hij toe hoe dit thema een rol speelt in zijn werk - in dit geval in de roman De meteoren, over de intieme verhouding van een tweeling.

Grillige carriere

Door zijn persoonlijke herinneringen voortdurend te verbinden met literaire en filosofische bespiegelingen, en met zijn eerste drie romans, maakt Tournier Een vlaag van bezieling interessanter dan een puur anekdotische autobiografie zou zijn. Nogal fragmentarisch en met veel zijwegen vertelt hij over zijn grillige carriere: van hopeloos scholier, gedreven maar toch gesjeesd filosofiestudent, tot vertaler, radiomaker en uiteindelijk (toen zijn eerste boek verscheen was hij 43) groot en gelauwerd schrijver. Over complete delen van zijn leven doet Tournier er het zwijgen toe. Maar des te meer zegt hij over zijn obsessies en fascinaties, over de wortels van zijn schrijverschap, over de verhouding tussen literatuur en filosofie in zijn werk en zijn orientatie op de Duitse cultuur - kortom over alles wat hem als schrijver intrigerend maakt.

Natuurlijk gaat Tournier ook in op de schrijvers die hem op ideeen gebracht hebben: Daniel Defoe (Robinson Crusoe) en Goethe (Erlkonig), maar ook Selma Lagerlof (Niels Holgerssons wonderbare reis), Flaubert, Valery en Sartre. Tournier draait er niet om heen dat hij bepaalde scenes van andere schrijvers heeft overgenomen. Zo ontleende hij een tafereel van spelende jongens op een schoolplein in De Elzenkoning aan de beroemde, 57 jaar eerder geschreven roman Le grand Meaulnes, van Alain-Fournier.

Koeltjes schrijft hij: “Men heeft niet nagelaten mij daar opmerkzaam op te maken.” Zijn rechtvaardiging verdient het gelezen te worden door al diegenen die ook in Nederland klaar staan om 'plagiaat!' te roepen zodra ze in een literair werk een parallel of een citaat herkennen: “Mijn weerwoord is dat ik meer recht heb op die scene dan Alain-Fournier, omdat ze in Le grand Meaulnes terloops en als het ware anekdotisch is, terwijl ze in De Elzenkoning een voorafschaduwing is van al wat volgt.” En met zijn grimmige gevoel voor humor voegt hij er provocerend aan toe: “...als een van beiden, Fournier of Tournier, van plagiaat zou moeten worden beticht, dan verdiende volgens mij, in alle billijkheid, Fournier de veroordeling.”

    • Juurd Eijsvoogel