De halveringstijd van sentimenten; Autobiografische roman van Nicolaas Matsier

Nicolaas Matsier: Gesloten huis. Uitg. De Bezige Bij. 264 blz. Prijs fl.39,50.

Een van de eerste dingen die opvallen aan Gesloten huis, de eerste roman van Nicolaas Matsier (1945), is het sterk autobiografische karakter ervan. In Oud Zuid en Onbepaald vertraagd, de verhalenbundels die Matsier in 1976 en 1979 publiceerde, verborg hij zich nog zorgvuldig achter zijn pseudoniem, en deed hij als goed Revisor-auteur zijn uiterste best om zelf op de achtergrond te blijven. In zijn volgende boeken, de novelle De eeuwige stad (1982) en de bundel schetsen Een gebreid echtpaartje (1985), werd dat terughoudende al wel wat minder, maar nu lijkt hij, zoals dat sinds Anja Meulenbelt heet, de schaamte voorbij. De ik-figuur van Gesloten huis heet Tjit Reinsma, net als de schrijver in het dagelijks leven. En zijn achtergronden en belevenissen, ook de meest intieme, zijn, naar ik aanneem, gelijk aan de achtergronden en belevenissen van de schrijver. Het boek, dat op de omslag als autobiografische roman wordt aangeduid, wekt de indruk een nauwgezet verslag te zijn van de ervaringen en gedachten van de schrijver. Gesloten huis is zijn 'Land van Herkomst'.

Wat Matsier aan zijn persoonlijke ervaringen heeft toegevoegd, en dat is natuurlijk niet het minste onderdeel van de literatuur, is de vormgeving en het commentaar op zijn belevenissen. Maar ook die hebben een hoogst persoonlijk karakter. Voor Matsier is het naar boven halen en vormgeven van ervaringen de basis geworden voor het schrijverschap: “Het geheugen, met al zijn onbewuste trucs, is als een kok die een maaltijd opdient: gewoon gemaakt van wat zoal voor handen is. Maar het is nooit dezelfde maaltijd. De herinnering zelf is de kunstenaar”

Vruchtenbuurt

Gesloten huis (een niet zo gelukkige titel, met zijn vreemde verwijzing naar Sartres Huis Clos en het bordeel) is het verhaal van een man die afstand neemt van zijn leven als zoon. Na de dood van zijn moeder moet hij samen met zijn broer en zus haar huis in de Haagse Vruchtenbuurt leeghalen en verkopen en dit werk zet bij hem een eindeloze reeks herinneringen, associaties en redeneringen op gang die samen het boek vormen.

Het verhaal begint voorzichtig, met enkele anekdotes over de kleding en gewoontes in de jaren vijftig en zestig. De man wil, zoals hij zegt, 'de dingen scherp krijgen'. Maar als hij zich afvraagt wat de waarde van een anekdote uitmaakt, blijkt dat hij veel meer wil. De brokstukken die hij presenteert zijn vrij onnozel, erkent hij, maar niet als ze geholpen worden door 'de latere volwassene die, druk gebruik makend van zijn arsenaal aan taal en inzicht, een rookgordijn optrekt rond de essentiele schamelheid van de vroege herinnering.'

Zo is er steeds commentaar op het zich herinneren. Bij het rondlopen door de lege woning en het zien van de overbodig geworden huisraad komen de verschillende fasen van een jeugd terug die de man theorietjes ingeven over de snelheid van het vergeten. Wat is de halveringstijd van sentimenten? Na hoeveeel tijd kun je voorwerpen die geladen zijn met verdriet zonder al te veel gevaar tevoorschijn halen? Bij het rijden door de speelstraten van zijn kinderjaren vraagt hij zich af na hoeveel tijd zijn vaste routes, zijn routines uit zijn lichaam verdwijnen.

De meeste herinneringen in Gesloten huis betreffen de jaren vijftig. Voor wie die tijd zelf heeft meegemaakt biedt het boek veel ontroerende herkenningspunten. Het gezin woont eerst in Krommenie, daarna in Den Haag. Zuinigheid is troef, met de daarbij behorende zeepklopper, de restjeswollen trui, de gemoffelde fiets en het schuurtje waarin met veel moeite vier fietsen moeten worden opgeborgen.

Het bijzondere van het boek is dat het laat zien hoe het verleden hanteerbaar gemaakt kan worden. De route die de man langs zijn herinneringen aflegt is voor een deel bepaald door vrije associaties, maar er ligt ook een bewust plan aan ten grondslag. Bepaalde herinneringen die nog te hevig zijn om meteen toe te laten, stelt hij uit, tot hij met minder riskante beelden een fundament heeft gelegd waarop hij bouwen kan.

Thuisnamen

Eerst worden onbenullige details uit het leven van de moeder naar boven gehaald. Dan volgt een al gevoeliger onderwerp als de 'thuisnamen': de namen die de leden van een gezin aan elkaar geven, en die ook alleen in gezinsverband hun waarde hebben. De man gaat terug naar de tijd voor zijn geboorte, met als een van de symbolen het vlekkenschrift, waarin de vader met grote precisie heeft bijgehouden hoe je de verschillende vlekken uit kleren verwijdert. Maar pas tegen het eind van het boek krijgt het drama dat achter al deze kleinigheden schuilgaat de ruimte. Dan gaat het uitvoerig over het broertje Jan, 'de scheur in ons aller leven', dat op zijn zesde is overleden, en dan blijkt dat er ook een zusje is dat in dezelfde tijd is gestorven. Ten slotte blijkt de ik-figuur een tijd lang ten prooi te zijn geweest aan een hevige waanzin. Met de minutieuze weergave van zijn ervaringen in die tijd, mogelijk geworden door wat er aan vooraf is gegaan, eindigt het boek.

Gesloten huis is een grillig boek, met al zijn sprongen van beschrijving naar commentaar, en van heden naar verleden. Maar dat maakt het ook spannend. Je weet nooit welke kant het verhaal op zal gaan. Op dezelfde manier wisselt de stijl steeds, in overeenstemming met de verschillende stemmingen van de ik-figuur. Nu eens is het boek in de ik-vorm geschreven, dan weer in de nog tederder jij-vorm. Maar het verhaal kan ook heel afstandelijk worden en overgaan in kantoortaal, met veel 'men' erin en met formele uitdrukkingen als: 'waarbij ik zou willen aantekenen dat'.

Maar overal blijft Gesloten huis een toonbeeld van zelfbeheersing. Onder alle omstandigheden wordt vermeden dat het drama te groot wordt. Altijd is de rede bij de hand om het verhaal onder controle te houden. Gesloten huis lijkt daardoor op geen enkele manier op een boek als Bezonken Rood van Jeroen Brouwers, waarin ook herinneringen aan een moeder en een jeugd worden opgehaald. In Gesloten huis worden het verdriet en de woede voortdurend met rationele middelen onderdrukt. Er klinkt geen openlijke spijt, geen haat. De onwil - of het onvermogen - al te hevige gevoelens te tonen wordt daardoor misschien wel een van de belangrijkste thema's van de roman.

Matsier laat zien hoe deze houding past in het gereformeerde milieu waarin de hoofdpersoon is opgegroeid. Van de eerste tot de laatste bladzijde heerst er in het gezin een kneuterig soort opgewektheid. Er wordt gezucht, er klinken veel 'ach's, maar nooit zal iemand zijn wanhoop tonen. Het drama wordt afgedekt, beredeneerd en geironiseerd. Als de man terugdenkt aan zijn geloofsafval, heeft hij het plotseling niet meer over 'ik', maar noemt hij zich 'de al in jaren gevorderde hoofdpersoon van deze geschiedenis'. Alsof hij zelf niet bij dit verschrikkelijke moment aanwezig was.

Het ontbreken van openlijke dramatiek is nog het meest dramatische van het boek. Matsier schrijft over de wonderlijke opgewektheid van zijn personage Tjit Reinsma: “Wat is opgewektheid eigenlijk? Is het een ander soort van hardheid, een vorm van ongevoeligheid zelfs?”

UIT: NICOLAAS MATSIER, GESLOTEN HUIS

Peau de suede laat zich heerlijk reinigen met een doorgesneden rauwe aardappel. Dit soort dingen lees ik, langzaam en met alle zintuigen, alsof het om poezie zou gaan. Ik lees het alsof ik het nooit meer wil vergeten, en ik vergeet het weer. Want het is te veel, het is te compact, te weerbarstig, er is geen beginnen aan. Maar het ontroert me op een vreemde manier. Neem dit hier bij voorbeeld: ik heb het gevoel dat ik dit maar beter goed in mijn oren kan knopen, dat ik dit niet grondig genoeg tot me door kan laten dringen: Wanneer de punt van een machinenaald ietwat minder scherp wordt, haalt men het garen eruit en stikt meerdere malen over een stuk schuurpapier, waardoor de naald aanmerkelijk scherper wordt.

Zo zit ik te lezen, en houd niet op me te verbazen. Over het getob. De eenvoud van de armoe. De opgewekte toon van al die hoogst bewerkelijke tips. De tijd waarover men blijkbaar in onafzienbare overvloed beschikte. Het kennelijk drukke circuit dat er bestaan moet hebben, van mondelinge en schriftelijke overlevering van vlekkenkennis. Het feit dat men er overduidelijk een eer in stelde, een vraagstuk aan te dragen.