Dat heb je netjes afgekeken; Romandebuut van dichter Tonnus Oosterhoff

Tonnus Oosterhoff: Het dikke hart. Uitgeverij De Bezige Bij. 110 blz. Prijs: fl.24,50.

“De weilanden waren fris esmeraldgroen. De sloten blikkerden alsof er deksels van koektrommels op lagen. En het Damsterdiep zelf scheen als een lamp.” Dat ziet een vijftienjarige Groningse jongen als hij op een ochtend in 1881 op het jaagpad langs het Damsterdiep naar school loopt. Twee jaar later is hij verhuisd naar Den Haag. In zijn kosthuis ziet hij zijn hospita liggen op een sofa, “de sofa met de kleur van koeievla.” Zij draagt “een japon van changeantstof, die het uitgeputte licht nog zieker maakte dan het al was.” Dit is geen gewone jongen. Dit is een jongen met oog voor licht en lichtval en gevoel voor kleuren, beelden en gelijkenissen. Zijn naam is Gerrit van Houten (1866-1934), aankomend schilder. Zijn sensitieve waarnemingen zijn te vinden in Het dikke hart, de eerste roman van Tonnus Oosterhoff.

Het dikke hart is een schilderboek, van de hand van een dichter, verhalenschrijver en romancier die zelf ook tekent en schildert, en die met een even oorspronkelijke blik naar de wereld kijkt als Van Houten. In negen scenes verhaalt Oosterhoff van de opkomst, en vooral de snelle ondergang, van dit opmerkelijk talent. Werkelijkheid en illusie spelen hier voortdurend door elkaar. Dat is niet zo vreemd voor een schilder, en zeker niet voor een schilder die al op jonge leeftijd aan waanvoorstellingen gaat lijden. Bovendien is er over zijn leven weinig bekend. Oosterhoff moest het met summiere gegevens doen en heeft zijn eigen verbeelding de vrije loop gelaten. Daardoor is een curieus geval ontstaan: een roman die ook een biografie lijkt te zijn; zowel een psychologische als een historische roman, een ziektegeschiedenis, deels gebaseerd op verzonnen documenten, met een echt schilderij van Van Houten op het omslag.

Gerrit exposeerde al op zijn vijftiende en werd in kleine kring al vroeg geprezen: door zijn oom Taco Mesdag bijvoorbeeld, en door zijn Haagse oom H.W.Mesdag. De laatste moet bij het zien van Gerrits jeugdwerk toegeven dat hij het zelf had kunnen schilderen, al kiest hij daarvoor een dodelijk compliment: “Dat heb je netjes afgekeken!” Gerrit is een zenuwachtige jongen, die wel eens een paar dagen moet thuisblijven 'met nervositeit', zoals hij het zelf uitdrukt. In Den Haag gaat het al snel mis. Hij valt ten prooi aan verwarring, angst en achterdocht, en zijn blik op de werkelijkheid raakt steeds meer vertroebeld. Daartegen probeert hij wanhopig zijn werk in stelling te brengen: “Ik geef zo goed mogelijk weer wat ik zie en dat lijkt me de enig juiste aanpak. In de kunst gaat het mijns inziens om de werkelijkheid.” Maar intussen beginnen de werelden binnen en buiten zijn hoofd in elkaar over te lopen. Ergens in een tussenzin lezen we: “hij zag twee glazen platen boven elkaar, een beschilderd met realiteit, de ander met gedachten en voorstellingen - welke lag boven?” Gerrit weet het niet meer.

Glasplaat

Het is moeilijk om bij deze passage niet te denken aan Gerrits grote tegenspeler in de roman, oom H.W.Mesdag. Hij is de man van de ene glasplaat: de glazen cilinder waarbinnen hij plaatsnam, bovenop het Scheveningse duin, om de omringende werkelijkheid zo precies mogelijk over te nemen, met het oog op zijn panorama. Mesdag gelooft net als Gerrit in een werkelijkheid en in het afbeelden daarvan: “Alleen volmaakte gelijkenis was aanvaardbaar.” Hij is de zelfverzekerde en succesvolle schilder die heel goed met deze negentiende-eeuwse kunstopvatting kan leven. Van Houten is het nerveuze talent in wie zich de verbrokkeling van de moderne tijd aankondigt, al doet hij nog zoveel moeite om zich aan de waan van een volmaakte gelijkenis te houden. “Mijn ziekte zit me met vlakgom achterna. Wat een hand tekent en erbij leert vlakt de andere uit.”

Deze ongelijke en onuitgesproken strijd tussen oom en neef houdt de negen scenes bijeen. Ze hebben misschien wel meer gemeen dan ze zelf zouden willen. Gerrit, 'de Groninger dikzak', ziet zijn oom als 'die lelijke dikzak die hem vernielde door familie te zijn alleen'. Allebei beschikken ze over het dikke hart uit de titel. De strijd spitst zich toe op het akelige verwijt van 'afkijken' dat Gerrit tot diep in zijn Umnachtung blijft achtervolgen. Maar hij kan zijn oom weer verwijten dat ook die alles heeft 'afgekeken' _ en wel van de werkelijkheid. Als Gerrit in zijn eentje het net geopende Panorama Mesdag bezoekt, stelt hij bewonderend, maar ook wrokkig vast: “Je kon het niet beter doen dan zo, niet mooier, niet lelijker (-) het was afgekeken van zoals het was.”

Ironisch hoogtepunt van de roman is de passage waarin de oude Mesdag een vroege aquarel van zichzelf krijgt voorgelegd. Hij herkent zijn eigen hand, zet er alsnog zijn naam op, zonder te zien dat het hier om een vroege Van Houten gaat. Het is een mooie overwinning voor Gerrit, al is het jammer dat hij er, ver weg in Santpoort, geen weet van heeft. Alleen wij zien het, honderd jaar later. En dan weten we nog niet eens zeker of dit voorval wel heeft plaatsgevonden.

Postuum eerbewijs voor Gerrit van Houten dus? Och. Ik denk niet dat het de schrijver daarom te doen was. Het dikke hart is eerder een nieuw bewijs voor het talent van Oosterhoff zelf. Elke zin in deze roman is goed. Oosterhoff schrijft scherp proza, op de rand, dicht tegen de ontregeling aan, met vreemde woorden, verrassende overgangen, spitse dialogen, rake beelden en superkomische wendingen. Hoe droef ook het onderwerp en hoe intiem soms ook de behandeling ervan, er blijft steeds een lichte afstand. Dik is Het dikke hart niet, maar wel rijk aan voorvallen, personages, stijlen en registers, of het nu gaat om de beklemmende beschrijving van de huiskamer van de Van Houtens, de brieven van de verwarde Gerrit of het verslag van de treinreis die zijn broers en zussen in 1952 maken. “Vier oneindig oude mensen, het lichtste gezelschap ter wereld.” Zij vormen het zittend bestuur van de door hen zelf opgerichte Gerrit van Houten Stichting. Zij zijn op weg naar een tentoonstelling van zijn werk, en wel in het Panorama Mesdag. Zo komen oom en neef toch nog broederlijk naast elkaar te hangen. “Het was niet zozeer een aardige jongen, Gerrit,” zegt zus Alida. Het is het laatste wat we over hem horen. We geloven haar graag. Zij kan het weten. Maar toch zijn we, net als Alida, ook wel van Gerrit gaan houden in de loop van deze ontroerende roman.