Blompap in satijn; Het dorsten naar een lavende moederborst

Grove naturen beweren dat het niet uitmaakt of een zuigeling drinkt uit een onsmakelijke rubberen toeter of uit een bijzonder fijn puntje moedervlees. Maar wie de borst onthouden is, heeft waarschijnlijk meer kans om beeldhouwer te worden.

Deze tekst werd door Jan Wolkers op 13 maart uitgesproken op een door de K.L. Poll Stichting voor Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen en NRC Handelsblad georganiseerde middag over 'Moeders Borsten' in Amsterdam.

Schrijven over moeders borsten komt bij mij letterlijk neer op een ontboezeming. Met de dichter kan ik zeggen, Mij was ter borst de eerste melk al schraal, want ik had als zuigeling amper de roze-bruine bronnen van de weelderige moederlijke vleesheuvelen aangeboord, of ik werd al verstoten van de boezemkade der lust doordat ik spruw kreeg. Het zogen, die broodnodige incest die door geen perverse poppenmethode aan de schandpaal genageld kan worden, werd mijn moeder stante pede verboden alsof ze een pofadder aan haar borsten had gekoesterd. Mijn mondholte werd een pijnlijk spelonkje van opgezette slijmvliezen en tussen mij en het zogparadijs werd wreed een harde zuigfles geschoven met een fopspeen van rubber waaruit de wrange wrongel der kunstmatigheid mijn keel in blubberde. Wat mij betreft had mijn moeder, zoals de volksmond wil, net zo goed een bos hout voor de deur kunnen hebben.

Men behoeft geenszins doorkneed te zijn in Freud om in volle omvang te beseffen wat dit voor het kersverse borelingske, dat nog maar net droog was achter de oren, betekend moet hebben. Heel wat meer dan een slok op een borrel. De prille roze handjes, die slechts geschapen leken om door Memlinc vereeuwigd te worden en om het zachtste vlees ter wereld door hebberig kneden tot melkgift te bewegen, moesten verkrampt het lompe harde glas omvatten waarin het voze vocht, dat grasherkauwde surrogaat der runderen, allengs zijn lichaamswarmte verloor alsof ik te laven was gelegd aan een snel afkoelend kadaver. Aan het met een verzadigd roommondje verzaligd nasmakken in het veilige diepgewortelde besef dat een moeder de enige vrouw is die nooit je penisje af zal snijden, was voorgoed een einde gekomen. Onder luidkeels protest trouwens, want volgens oorgetuigen moet ik woedend gekrijst en bezeten gegild hebben totdat ik naar vaster voedsel gegroeid was, zoals geprakte banaan en dergelijke slijmerigheden. Ongetwijfeld moet mijn stem daardoor die stentorische reikwijdte hebben gekregen waar dominees en dictators jaloers op zijn. In het aanschijn van zijn dood bekende mijn vader mij dat hij een keer in waanzinnige wanhoop, want mijn uitgebrulde wee noopte hen bijna om te verhuizen naar dunbevolkte streken, midden in de nacht met zijn hoofdkussen naar mijn turbulente wieg is gestormd maar met die verstikkende zwaan van de dood die hij in blinde woede op mij wilde laten neerstrijken, tegengehouden werd door een engel met een vlammend zwaard die hem behoedde voor het overtreden van het zesde gebod der mozaische wetten. En ik ben er bijna zeker van dat Marten Toonder, die in die tijd hemelsbreed een paar honderd meter van ons huis, aan de Warmonderweg van jongeling tot man wies, door dat huizenblokken doortrillende stemgeluid later op het idee is gekomen voor zijn meesterwerk Het Huilen van Urgje. Maar Urgje is op zoek naar een strenge vaderhand en ik dorstte naar een lavende moederborst. Ik heb het Marten Toonder nooit durven vragen, of dat echt het geval geweest is. Uit angst dat hij mij met de ergernis van vroeger nog in zijn stem zou toewerpen, 'Zo, was jij dat ten hemel schreiende rotjoch!'

Brokkelige kurken

Van peuter tot kleuter tot jongen heb ik de tepels van mijn moeder gaandeweg zien versabbelen van roze bloemknoppen tot brokkelige kurken, want er werden nog ettelijke schepseltjes na mij ter wereld gebracht die de blozende schoonheid van mijn moeder wegslurpten als bloedzuigers. Tegenwoordig behouden vrouwen zo langdurig hun aantrekkelijkheid dat overgrootmoeders het huis niet meer uit durven uit angst voor aanranding en verkrachting, maar in mijn jeugd was het na een paar zwangerschappen alsof de kook over de lelien van hun bloei gegaan was. Alsof hun zomerfleur in een razend tempo door die kleine onschuldig lijkende mondjes, die in het geniep even effectief zijn als de vleesverscheurende bekken van piranha's, tot rimpelige havermoutkleurige huid gezogen was. Mijn moeder vertelde later dat ik altijd zo ernstig en belust stond te kijken als er weer een nieuwe baby de borst kreeg, maar als ze me dan ook een slokje aanbood weigerde ik met een toegeknepen mondje. Het was voorgoed te laat.

Bij analytisch begaafde geesten zou het vermoeden kunnen postvatten dat iemand die in zijn allerprilste jonkheid in wanhoop getracht heeft het harde liefdeloze glas van de zuigfles met zijn kleine knuistjes om te kneden tot poezelig vrouwenvlees voorbestemd moet zijn om beeldhouwer te worden.

Dat hij met verve de harde materie van marmer en graniet tot een trits torsen, venussen en juno's om zal gaan vormen met lieflijke en dorstverwekkende welvingen. Ik wil hier niet te diep op in gaan, omdat men zich in gemoede kan afvragen waarom iemand met een dusdanig jeugdtrauma dan geen verkoper is geworden van ballonnen op kermissen en nationale feestdagen, of kok, uitblinkend in het ter tafel brengen van borstvormige gelatinepuddinkjes overgoten met een zog van haagse bluf. En misschien zal zelfs een slimme psycholoog wel verklaren dat iemand die zo wreed van de tepel getrokken is wel een sterke voorkeur zal hebben voor vrouwen met inside nipples. Hoe het ook zij, toen bij mijn eerste les in modeltekenen op de Rijksacademie de leraar achter me kwam staan en zei, terwijl hij op de houtskoolborsten wees, 'Vergeet de kroon op het werk niet', zag ik dat ik de tepels glad vergeten was. En toen ik enige tijd geleden mijn modeltekeningen van vroeger uit een la opdiepte, viel het me op hoe onevenredig groot het aantal achteraanzichten was van de diverse schoonheden die ik in de loop der jaren geschetst had. En ik besefte ineens dat vrouwenbillen borsten zijn zonder tepels.

Gips

In de oorlog, toen ik op de Leidse Schilderacademie ging studeren, was een van de eerste stillevens die ik er schilderde de Griekse tors van een bevallige jonge vrouw met een glas vol wilde rozen ervoor. Het moet begin juni zijn geweest, want dan bloeien de egelantieren. Als een offerande aan haar klassieke schoonheid moest ik om de andere dag nieuwe rozen uit het bos meenemen, want dan lagen de roze bloemblaadjes als rimpelige velletjes op het grijze fluweel dat als ondergrond dienst deed. Ze verwelkten zo snel als de jeugd van een kinderrijke moeder. Omdat mijn leraar het vaak liet afweten en ik de enige leerling was lag ik al gauw met de tors, die ik voorzichtig als was zij van vlees en bloed uit het stilleven oplichtte, in een duistere hoek van het grote leerlingenatelier te vrijen tussen bestofte gipsafgietsels van de Doryphorus van Polyclitus en van Apollo van de tempel van Zeus te Olympia. Toen ik een paar decennia later over deze harde leerschool der liefde in een roman schreef, vermeldde een criticus dat de uitspattingen met het levenloze stuk vrouwmens zo mooi bedacht waren als symbool van de eenzaamheid van de hoofdfiguur. Wat bedacht, verdomme! Ik had nog littekens op mijn buik van haar scherven, want natuurlijk zakte ik op zekere dag door het klassieke schepseltje heen. Het leven was de kunst te zwaar geworden. De criticus kon ook moeilijk tot een andere conclusie komen, want ik had nog lang niet alles over mijn prille jeugd uit de doeken gedaan. Wat kon hij nou weten van spruw en dat gips zo hard is als een zuigfles.

Later, toen ik op de Rijksacademie studeerde, kwam het gemis en tekort soms nog even schrijnend om de hoek kijken, want ook al zullen er altijd grove naturen blijven die zullen beweren dat het niet uitmaakt of je nou zo'n onsmakelijke levenloze rubberen toeter in je blaffer gestoken krijgt of een bijzonder fijn puntje moedervlees, we weten allemaal dat wat je de eerste levensjaren overkomt van verstrekkende betekenis is voor je verdere leven. Zo'n tandeloos mondje is een radarscherm dat alles feilloos opvangt. Vooral bij de colleges kunstgeschiedenis van professor van Thienen kwam het nogal eens opwellen. Als er schermgroot een lichtbeeld werd vertoond van een schilderij van een gevangene in een kerker, vastgeklonken aan een rotsblok, die de hongerdood moest sterven maar wel bezoek mag hebben van zijn zogende dochter. Dat is de kat op het spek binden en in het donker knijpen. Want met haar voedzame en goedgevulde voorgevel houdt ze de man die haar verwekt heeft gulhartig in leven. En ik dacht niet, dat is ook een manier. Zo kan je de schade toch nog inhalen. Allerminst. Ik dacht, nou moet dat wurm aan de fles, want die ouwe zuipt zijn dochter leeg met zoveel liederijke gulzigheid alsof hij amper beseft dat zijn leven ervan afhangt.

Oerscene

Ook bij dat verrukkelijke schilderij van Giorgione, De Storm, had ik zo mijn gedachten. De spartelmollige vrouw of madonna die zich midden in het vredige Italiaanse landschap zo dierlijk genotvol laat leegzuigen alsof haar levenssappen overgeheveld worden en de man die haar bewaakt, rustend op een staf of speer om haar te beschermen maar die toch met een lichte wrevel naar de oerscene kijkt.

Bij het lezen scheen ik ook een speciale antenne te hebben voor die tragische gebeurtenis van vroeger. Want hoe komt een jongetje van amper twaalf jaar er anders toe om uit de ouderlijke boekenkast, uit die molensteenzware borstwering van de verzamelde dichtwerken van Willem Bilderdijk, uit de tienduizenden dreunende strofen van de dichter van het rommelende rijm dit ene regeltje op te diepen en het nooit weer te vergeten. Ik zal die ontblote borst met stoute tanden kneden. En ik was niet veel ouder toen dit fragment uit een gedichtje van Constantijn Huygens zich voorgoed in mijn geheugen nestelde.

Zij hebben groot gelijk, de mans

die onze borsten

gedurig behandelen en kussen

als zij dorsten.

't Is vriendelijke waar

van ed'le stof en fijn

't is blompap zonder brood

in blazen van satijn.

Een van de mooiste versjes ooit over borsten geschreven. Het zal echter geen verwondering wekken dat ik er toch nog goedgevulde moederborsten van wist te maken door in de geest de dorst te laten prevaleren boven de durf.

Een kennis van mij heeft mijn literaire werk een keer grondig doorgespit op zoek naar reminiscenties aan die weinig harmonieuze start van mijn leven. Het bleek vergeven van de allusies op die ontstolen blazen van satijn. Met als duidelijkste voorbeeld van wat er onbewust over in mijn werk geslopen is, de herinnering van de hoofdpersoon uit een van mijn eerste verhalen aan de Graf Zeppelin die over komt zweven. En als dat wonderbaarlijke luchtschip verdwenen is staat er, Daarna was het blauw van de lucht zo vreemd leeg, of alles wat een kind zich daarin voor kan stellen met die vreemde augurk verdwenen was. En wie herkent niet in die vreemde augurk de uit groen glas ruw gegoten zuigfles uit de twintiger jaren. Een afgrijselijke zure bom die het uitspansel verduistert.

Dikwijls als tijdens de discussie na een lezing het onderwerp van het onthouden zog ter sprake komt, zijn er enkele hoogzwangere vrouwen die hun bloezes al beginnen los te knopen. Hoe troostend het ook bedoeld mag zijn, ik zou hier alleen op in kunnen gaan als ik tot de hongerdood veroordeeld was. Wel zie ik soms bij een dagdroom over mijn crematie mijn schamele overblijfselen die nog nasmeulen van de hitte des ovens door tientallen vrouwen met ontbloot bovenlijf bespoten en besprenkeld worden met het kostelijkste dat ze hebben. En dan zie ik een gestalte uit dat hoopje grijs gebeente aan de voeten van die lieflijke moeders opnevelen en als een arend wiens jeugd vernieuwd is opstijgen. Want wie zou er niet uit zijn as verrijzen door zo'n weldaad, door zo'n malse meiregen uit blazen van satijn.

    • Jan Wolkers